Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 36, 1924, 1924

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    E, LEHMAN. Temperatur und Temperaturwechsel in ihrer Wirkung auf die Keimung lichtempfindlicher Samen Ber d. D. bot. Ges. XXIX 1911. HAACK. Die Prüfung des Kiefernsamen. Zeitschrift für Forst- und Jagdwesen 1912. PITTAUER. Centralblatt für das Ges. Forstwèsen 1914. KINZEL. korst und Licht als beeinflussende Krafte beider Samenkeimung. Stuttgart, Eugen Ulmer. Door vernietiging van de copie op de drukkerij van het vroegere „Cultura”, heb ik deze lijst uit losse aanteekeningen en geheugen moeten samenstellen. Een zeer volledige lijst vindt men over dit onderwerp in Kinzel: Frost und Licht etc. 1913. De kosten van paardenarbeid. Het is natuurlijk van algemeene bekendheid, dat de uitgaven voor den paardenarbeid een zeer belangrijk deel uitmaken van de uitgaven in het landbouwbedrijf. Toch geloof ik wel te mogen zeggen, dat een helder inzicht inde grootte dezer uitgaven over ’t algemeen weinig gevonden wordt. \\ aar thans de toestand van het landbouwbedrijf van dien aard is, dat verhooging van de netto-opbrengst dringend noodig is, moet vooral ook gezocht worden inde richting van bezuiniging. De omstandigheid, dat t allergrootste deel der uitgaven voor den paardenarbeid, niet plaats vindt door betalingen, maar door ’t gebruik van bedrijfsproducten, is ongetwijfeld de oorzaak, dat men omtrent de grootte der hiermede gemoeide bedragen zoo slecht is ingelicht. Ongetwijfeld is het aantal boekhoudende landbouwers toegenomen, maar deze boekhouding is helaas zelden een bednjfsboekhoudmg. Ze geeft alleen een inzicht inde kapitaal beweging van ’t bedrijf in zijn geheel, maar niet inde mate waarin de verschillende bedrijfsonderdeelen aan de beweging deelnemen. Ze leert alleen kennen de resultaten van een aantal krachten met ’t bedrijf als aangrijpingspunt, maar richting noch grootte dier krachten is bekend. Dit is dan waarschijnlijk ook de reden dat omtrent dit, toch belangrijk, onderwerp zoo weinig is te vinden inde literatuur der bedrijfsleer. Zoo moet ’t al dadelijk opvallen bij een doorlezing van het Verslag van de Staatscommissie voor den Landbouw van 1906, dat omtrent dit onderwerp zoo goed als niets wordt vermeld. De zeer uitvoerige „Schetsen van het Landbouwbedrijf in Nederland” geven slechts twee zeer globale paardenrekeningen n.l. één van Flakkee en een van Walcheren. En bij een uitwerking der voor een Walchersche boerderij verstrekte gegevens, blijken deze geheel onjuist te zijn. Indien de daar verstrekte cijfers juist waren, zouden de

    265