Katholiek sociaal weekblad, jrg 6, 1907, no. 15, 13-04-1907

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    oudere lichtingen opleggen. Een vermindering alzoo van den diensttijd b.v. van 15 jaren (waarvan 8 jaar bij de militie en 7 jaar bij de Landweer) op 10 jaren, met een daarmede gepaard gaande vermindering van het aanta 1 herhalingsoefeningen (juist de zwaarst drukkend e, nl. die op ouderen leeftijd te volgen zouden komen te vervallen) zou voor het meerendeel der dienstplichtigen van zeer veel belang zijn, den persoonlijken druk in niet geringe mate verlichten.

    Vergrooting van het contingent zou alzoo in dit opzicht moeten weerden toegejuicht, ware het niet, dat het den voorstanders van den algemeenen dienstplicht niet slechts om vermeerdering van het aantal jaarlijks in te lijven manschappen, maar ook om opvoering van de totale legersterkte te doen is. Alzoo geen verkorting van den diens ttijd, of slechts eene, welke op verre na niet evenredig is met de vergrooting van het contingent.

    Voor de noodzakelijkheid om thans reeds, nu de Legerwetten van 1901 nog niet eens ten volle hebben doorgewerkt, de legersterkte te vergrooten, moet het bewijs nog geleverd worden.

    Geldt voor de groote mogendheden het concurrentiesysteem, wordt het eene Rijk gedwongen zijn leger te vergrooten, tot meerdere machtsontwikkeling genoodzaakt, omdat een mogelijke tegenstander zijn legersterkte heeft opgevoerd, voor ons, met een bepaald doel bij de landsverdediging voor oogen, gelden dergelijke 'overwegingen niet.

    Bij het tot stand komen van de Legerwetten is verzekerd geworden, dat Nederland daardoor de beschikking over een voldoend sterke strijdmacht zou verkrijgen en nog werd in de M. v. A. op de Oorlogsbegrooting voor 1906 de legersterkte, welke wij thans hebben, zeer voldoende genoemd.

    Blijkt uit het bovenstaande, dat wij invoering van den algemeenen dienstplicht niet noodzakelijk en allerminst als door de Grondwet geboden achten, en vergrooting van het contingent alleen wenschen te aanvaarden onder beding van een verminderden diensttijd, tenzij mocht worden aangetoond, dat de tegenwoordige legersterkte ontoereikend is, wij meenen ook te kunnen aantoonen, dat de invoering van den algemeenen dienstplicht voorshands onmogelijk is.

    (Slot volgt). H. J. A. Feber.

    WETTELIJKE REGELING VAN DEN ARBEIDSTIJD.

    Over bovenstaand onderwerp is een belangrijk rapport ingediend op het Ille Congres van ,,lAction Libérale Populaire". De conclusies van dit rapport zijn aangenomen, zoodat het zeer juist aangeeft, in welke richting de Katholieke sociale denkbeelden gaan.

    Basis van dit rapport was een artikel van G. MazeSencier, dat ook verschenen is in L Association Catholique van December 1906.

    De bedoeling van dit artikel was niet, in slechts enkele bladzijden dit ernstige vraagstuk tot een beslissing te

    brengen, die alle moeilijkheden opheft; ook niet om den lezers aan te wijzen, welke meening ze moeten bezitten omtrent zulk een vraagstuk.

    De schrijver wenschte alleen in alle openhartigheid de gegevens voor het vraagstuk voor te stellen.

    Nu dit vraagstuk ook ten onzent zeer actueel wordt, moge hier, in de lijn van genoemd artikel en rapport, een korte verhandeling volgen:

    I. Over het Recht van den Staat.

    Heeft de Staat het recht tusschen beiden te komen om den arbeidstijd van volwassenen te verminderen ?

    Eerst dient echter een andere vraag gesteld te worden, want van deze zal het antwoord afhangen op de vraag, die ons bezighoudt.

    Is de arbeid eenvoudig koopwaar, die onderworpen is aan de brutale wet van aanbod en vraag? Of is hij integendeel een menschelijke daad, de daad bij uitnemendheid, waardoor de mensch zich onderwerpt aan de Goddelijke wet, welke hem verplicht zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen ?

    In het eerste geval is de werkman slechts een werktuig om te produceeren. In het tweede geval is hij een verantwoordelijk wezen, dat de hooge waardigheid draagt, welke den arbeid en de arbeiders omringt, en die steeds het teeken van adel blijft voor ieder mensch.

    Zeker, de werkman is een verantwoordelijk wezen, en daarom heeft hij recht op wettelijke en zedelijke bescherming door den Staat: er bestaat een niet te ontkennen sociaal belang, om niet alleen den industrieelen arbeid van vrouwen en kinderen, maar gelijkelijk ook dien van volwassen mannen te begrenzen. Overmatige mechanische arbeid heeft als noodzakelijk gevolg de uitputting van den werkman, hij benadeelt het individu, benadeelt den arbeid zelf en heeft dus bijgevolg treurige noodzakelijke gevolgen voor de geheele maatschappij. Men moet dus deze lichamelijke, verstandelijke en zedelijke uitputting verhinderen.

    De mensch moet niet veroordeeld zijn tot een arbeid, die hem ondermijnt en gelijk stelt met een ware machine: hij heeft een gezondheid, welke men niet met opzet moet blootstellen aan vermoeienissen of aan gevaren, die haar bederven.

    Bovendien, wanneer de arbeider een gezin heeft en een eigen thuis, moet hij zijn plichten als echtgenoot en als vader vervullen. Men moet nooit vergeten, dat »de arbeider een vrij, verstandelijk wezen is, een burger, een echtgenoot, een huisvader en dat hij bijgevolg verplicht is te voorzien in de behoeften, die voortvloeien uit zijn natuur en uit zijn betrekkingen tot de echtelijke en sociale orde?" J)

    De wil van de patroons moge nog zoo goed zijn, hun bedoelingen mogen nog zoo rechtvaardig zijn, men kan toch nooit onderstellen, dat er een beweging der meeningen zal komen, voldoende om tot algemeene oplossing te geraken van een maatregel, welks kracht niet werkelijk is als hij niet tevens algemeen is. De Staat moet dus tusschen beiden komen.

    *) Congres catholique de Tariagone.