«Voor zoover de hier bedoelde personen reeds in tijd »van vrede vrijwilligerskorpsen hebben gevormd en de «verplichtingen op zich nemen, voor het geval eener »mobilisatie voor de leden dier korpsen, van Regeerings-
»wege vastgesteld, zouden zij van andere diensten vrij»gesteld worden.
»Zij, die hiertoe niet overgaan, worden reeds in tijd »van vrede, öf bestemd tot het vervullen van bizon»dere diensten in tijden van oorlog ten be»hoeve van 's lands verdediging, öf zij blijven beschikbaar »om in tijden van oorlog tot oefening te worden «opgeroepen, ten einde daarna tot aanvulling te dienen »van het leger, de landweer of de reserve der landweer."
De regeling nu van de verplichtingen aan deze categorie van personen op te leggen en van de bijzondere diensten, welke van hen kunnen worden geëischt, moet in een »Landstormwet« worden opgenomen, waarbij dient te worden opgemerkt, dat echter ook nu reeds, krachtens een bijzondere wet, in oorlogstijd diensten van hen ten bate van de verdediging kunnen worden gevorderd.
Met een beroep op art. 180 van de Grondwet mag dus een Landstormwet worden geëischt; de meening, dat de loting in strijd is met dat artikel en alleen door invoering van den algemeenen dienstplicht ten volle aan de Grondwet kan worden voldaan, achten wij niet slechts in strijd met de letter, maar ook met de bedoeling van die Wet.
Voorts wordt de invoering van den algemeenen dienstplicht bepleit als het eenige middel om het Nederlandsche V olk het noodige gevoel van zelfbewustheid bij te bren¬
gen, belangstelling in onze defensie op te wekken, om leger en volk meer tot elkaar te brengen.
Hoe kan het Leger zijn een nationale instelling, hoe kan de belangstelling algemeen zijn, hoe kunnen Volk en Leger een zijn? — zoo wordt geredeneerd — als volgens de bestaande wetten 2/3 van de Nederlanders buiten elke aanraking met het leger wordt gehouden en hun de gelegenheid ontnomen is den eersten plicht jegens het Vaderland te vervullen.
Vooreerst zij er op gewezen, dat deze voorstelling niet geheel juist is; het wordt voorgesteld alsof jaarlijks slechts 1/3 van de beschikbare jongelingschap in het Leger wordt ingelijfd, en dat is niet overeenkomstig de waarheid.
Het aantal ingelijfden bedraagt ongeveer 1/3 van de ingeschrevenen, maar hieronder bevindt zich een aantal, dat wegens gebreken, te geringe maat, wordt vrijgesteld of om andere redenen ontheffing van den werkelijken dienst krijgt. Houdt men hiermede rekening, dan blijkt dat 42 a 43 °/0 van den voor den dienst geschikt geoordeelden worden ingelijfd. Zegt men dus, dat slechts 1/3 van de Nederlandsche jongelingschap wordt ingelijfd, dan geeft men 10 % minder op, dan feitelijk het geval is.
En wat nu de belangstelling in het leger aangaat, wij hebben, dunkt ons, daarover den laatsten tijd allerminst te klagen, althans wat betreft de mate van belangstelling, wel over den aard dier zg. belangstelling, want die N laat niet zelden heel wat te wenschen over. Ongetwijfeld is door de invoering van den persoon¬
lijken dienstplicht in ruimer kring belangstelling voor ons defensie-instituut gewekt, wat volkomen verklaarbaar is, omdat daardoor categorieën jonge mannen in het leger werden gebracht, die daaraan vroeger geheel vreemd bleven; maar of door invoering van den algemeenen dienstplicht naast het brengen van meerdere belanghebbenden — grooter in aantal, maar niet in soort, in de militaire rijen ook een ander soort van belangstelling en dat is het wat men eigenlijk verlangt — voor het leger zou worden gewekt, meenen wij, gelet op onzen volksaard, te mogen betwijfelen.
Ons volk is niet militair aangelegd, zonder daarom anti-militair te mogen worden genoemd. Zonder onverschillig te zijn voor het Vaderland en zijne verdediging, geraakt de groote massa daarvoor niet in vuur. Afgezien nog van volksaard en heerschende burgerbegrippen, moet niet vergeten worden, dat daar ook de langdurige vredesperiode het hare toe heeft bijgedragen, en dat jaJ renlang, inzonderheid door de hoogere standen, zoo al geen afkeer, dan toch een verregaande onverschilligheid voor s lands defensie is getoond. En nu kunnen wij het betreuren, dat een zoo bij uitstek nationale zaak als 's lands-verdediging, nog zoo weinig tot het hart van het Nederlandsche volk is doorgedrongen, wij hebben het als feit te aanvaarden en moeten er bij het militaire vraagstuk rekening mede houden, op straffe anders in onze verwachtingen te worden teleurgesteld.
Wij behooren niet tot dezulken, die meenen dat invoering van algemeenen dienstplicht voldoende zou zijn om in deze een algeheelen ommekeer te weeg te brengen; een meer geleidel ij ke ontwikkeling in die richting, een als het ware stelselmatige opvoeding in dien zin achten wij noodig om bij de groote menigte juiste begrippen in zake onze nationale verdediging ingang te doen vinden.
Het motief, dat in den regel het laatst voor invoering van den algemeenen dienstplicht wordt aangevoerd, maar o. i. het meeste gewicht in de schaal legt, is de o n b i 11 ij k h e i d, welke in het 1 o t i n g s t e 1 s e 1 is gelegen. Door afschaffing van de loting zou die onbillijkheid geheel kunnen worden weggenomen, maar — zooals nader zal worden uiteengezet — achten wij invoering van den algemeenen dienstplicht op het oogenblik en ook in de naaste toekomst een onmogelijkheid, en daarmede een correctief noodzakelijk om op andere wijze die onbillijkheid, althans eenigermate, weg te nemen.
Nog op een ander voordeel, dat invoering van den algemeenen dienstplicht, of liever uitbreiding van het contingent kan brengen, wenschen wij te wijzen, nl. op de vermindering van dienst tijd (niet te verwarren met oefening stijd), welke daarvan het gevolg kan zijn; wij bedoelen, dat — een bepaalde legersterkte tot grondslag nemende — vergrooting van contingent gepaard gaat met vermindering van het aantal lichtingen.
Wie kennis heeft genomen van de actie allerwege gevoerd om het aantal herhalingsoefeningen te doen verminderen, weet dat deze beweging haar oorzaak vindt in den zwaren druk, welke deze oefeningen vooral de