Ook tot Drente strekten zich de onderzoekingen van Bos uit zie Groninger Volksalmanak 1926. '
Aan de kaart heb ik dus, behalve dat ik nog eenige namen toevoegde en sommige terpen schematisch aangaf, nagenoeg niets veranderd. De tekst heb ik samengesteld aan de hand van archiefstukken en van de kaarten.
Het bleek mij bij het bestudeeren van de groote hoeveelheid literatuur welke vorige geslachten over de geografie van Groningerland hebben nagelaten, dat maar al te dikwijls diverse schrijvers diverse zaken verkondigden.
heb mij daarom zooveel mogelijk tot de oorspronkelijke bronnen gewend en was zoodoende in staat aan Bos' terreinonderzoek historische gegevens te koppelen, die nog niet eerder juist waren geïnterpreteerd (de Arm, de Ampteda Tya, de Oosternijezijl, enz.).
Voor een algemeen overzicht treffe men aan het slot een jaartallenlijst aan, waaruit men den ontwikkelingsgang van den waterstaatkundigen toestand objectief zal kunnen reconstrueeren.
Een woord van dank past hier aan de vele personen, die meegewerkt hebben tot het bereiken van het resultaat. Het moet gezegd worden, dat Bos medewerking ontvangen heeft van alle kringen der vele belangstellenden zoowel van hooggeplaatste ambtenaren, als van de arbeiders op het land.'
Persoonlijk wensch ik mijn dank te betuigen voor de hulp mij verleend op het Rijksarchief te Groningen, in het bijzonder aan den heer Lonsain wien geen moeite teveel was, mij de oude stukken onder de aandacht te brengen of mij die te helpen ontcijferen.
HOOFDSTUK I.
Het lage land.
1. Be aloude toestand, in den terpentijd.
Drie grondsoorten. Zooals meest overal in onze kuststreken, treft men
m Groningen een drietal zones aan, t. w. van het zuiden naar het noorden :
ie. het diluvium, fijnzandige lage ruggen, soms in veen onderduikend
soms er even boven uit stekend. Gewoonlijk zijn die ruggen in het noorden
van ons land van tweeërlei richting, n.1. noordwest-zuidoost en noordoostzuidwest;
2e. de veengordel met zijn plassen en enkele zandkoppen (Het Wold of Lage Land);
3e. de kleigordel, welke hooger is dan de veengordel (Het Hooge Land).
Terugroepen. In den terpentijd was die kleigordel zeer verscheurd. De kilometers wijde zeeinhammen der Eems, Fivel, Hunze, Lauwers enz verdeelden de terpen in groepen. Zoo had men de Fivelgogroep tusschen Fivel en Eems, die hoe gescheiden onderling door tal van breede en diepe geulen, toch een aparte groep vormde.
Dan was er de merkwaardige terpenrij tusschen Westerwijtwerd en