Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1907, 01-01-1907

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    behoorende tot den Goenoeng Pandan". Hiermede is bedoeld: naast de doekoehan Rëdjoena, die aan den voet gelegen is van den Këndëng, de sedimentaire heuvelketen, in welker midden de andesitische Pandantop oprijst. Mede op instigatie der Nat. Vereeniging verzamelde in 1866 de begaafde Javaansche schilder Raden Saleh eenige fossiele gebeenten in de omstreken van den Pandan, in het bijzonder bij de thans niet meer bestaande Dk. Këdoeng Loemboe (ongeveer 2 K. M. ten Z O. van Këdoeng Broeboes, in het district Tjaroeban van het regentschap Madioen). Uit het schrijven van Raden Saleh aan de Vereeniging is op te maken dat hij vooral kiezen en stoottanden van Stegodon gevonden heeft.

    Deze oude vondsten noem ik onder eenige andere in het bijzonder, omdat zij betrekking hebben op vindplaatsen, welke gebleken zijn tot de rijkste te behooren. Andere vindplaatsen, zooals die bij Sanggiran, in het district Kaliasa, 12 K.M. ten noorden van Solo, waar in 1864 de officier Schmullins fossiele beenderen vond (vermoedelijk van een buffel), zijn gebleken minder rijk te zijn. Daarentegen werden later eenige vindplaatsen ontdekt, zooals bij Bangle (in het district Lengkong van het regentschap Ngandjoek in Këdiri), bij Tritik en Këdoeng Panas (in het district Ngoempak van het regentschap Bodjonëgoro), en Trinil (district Sëpreh van het regentschap Ngawi) — om slechts de rijkste te noemen — welke meestal ook niet aan de Javanen bekend waren, vindplaatsen, die tot de allerbeste behooren. Ook in de omstreken van Tinggang (district Padangan der afdeeling Bodjonëgoro) zijn goede vindplaatsen.

    Junghuhn is er niet meer toe gekomen zijn in in 1857 uitgesproken voornemen, om een afzonderlijke verhandeling te schrijven over de fossiele beenderen en de formatie, die ze bevat, ten uitvoer te brengen '). Voor de laatste hield hij ten onrechte de zwarte aarde, die feitelijk een verweeringsproduct is der vulkanische tuffen van den Këndëng en den Pati Ajam; teelaarde, welke met de Voorindische regur te vergelijken is.

    Eerst in 1884 en volgende jaren werden door-Prof. K. Martin de door Junghuhn, Raden Saleh en anderen verzamelde zoogdieren, die uit hunne kwarteeuwsche rust van Batavia naar Leiden waren opgezonden, beschreven. Op grond van die beschrijving meende Prof. Martin het voorkomen op Java van de Siwalik-formatie te mogen aannemen 2). Zooals wij zien zullen is de formatie in werkelijkheid belangrijk jonger. Waaruit zij bestond bleef tot 1890 in het duister. Sedèrt dat jaar ver-

    1) Natuurk. Tijdschr. v. N. I. Deel 14 (1857), p. 218.

    2) Samml, des Geol. R. Museums in I.eiden. N". 10 (1884), p. 17.