Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1907, 01-01-1907

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    uit de russische Oostzee-provinciën, heeft grootendeels plaats gehad in de eerste phase dier vergletschering, toen het Landijs nog niet zijne grootste dikte had bereikt. Als „Baltische IJsstroom" bewoog het zich van O. naar W. en groeide later aan tot „Waaierstroom", die de baltische zwerfsteenen het laatste gedeelte van hunnen weg, tot ons land deed afleggen.

    3°. Van eene keileem of daaraan beantwoordende gelaagde afzettingen van een ouder Landijs, bijv. onder de Veluwe of in den ondergrond van Drenthe, zijn vooralsnog geene zekere sporen aangetoond.

    4°. Het jongere Landijs, van G'" (Würm-Vergletscherung) heeft zich waarschijnlijk niet verder uitgestrekt dan de Elbe. Het aannemen van afzettingen, door het smeltwater van dat Landijs, in Drenthe en Friesland, berust op eene vergissing, vermoedelijk heeft men daar met zandstuivingen te doen.

    5°. Gedurende dien jongsten ijstijd, G"\ is vermoedelijk het zand afgezet, dat thans een laagterras vormt in de Geldersche Vallei en rechtstreeks samenhangt met dat van IJsel, Rijn en Maas.

    6°. In het jongste interglaciale tijdvak, J", leefde de marine fauna van het Eemstelsel, zoowel in de Geldersche Vallei als op de plaats, waar thans Noord- en Zuid-Holland zijn.

    7°. De keileem onder Noord-Holland behoort tot den voorlaatsten ijstijd of G". In dien tijd is ook afgezet de „bovenste, grove afdeeling" van het Gemengde en het Rijndiluvium.

    8°. In den daaraan voorafgaanden interglacialen tijd, J', werden opgebouwd, „de middelste, fijne afdeeling" van het Gemengde- en Rijndiluvium, het „Cromer Forest Bed" en de fossielvoerende kleilagen van Tegelen bij Venloo.

    9°. Tot den nog ouderen Ijstijd, G', kan men rekenen den „Weybourn-Crag" in Engeland en de „onderste