De groene Amsterdammer; weekblad voor Nederland, jrg 83, 1959, no. 3, 17-01-1959
Oproer in Congo
BRUSSEL, woensdag "TYINSDAG 13 januari, te 13 uur, heeft de Belgische koning zich via de radio tot alle inwoners van het moederland en van de kolonie gewend en hiermee de inleiding gebracht tot de ministeriële rede over de Congolese politiek van de regering. In de verheven stijl, die nu eenmaal een koning eigen moet zyn (schijnt het), heeft Boudewyn enerzijds bekend gemaakt dat België zijn kolonie niet opgeven kon of mocht: „Ons beschavingswerk is nog niet voltooid, wij hebben het recht niet Congo te verlaten.” Anderzijds heeft de koning een toenemende decentralisatie van het administratief apparaat in het verschiet gesteld, heeft hij de zwarten van Congo een grotere vertegenwoordiging beloofd in het beleid van hun land, en heeft hij plechtig aangekondigd dat voortaan alle rassenonderscheid tussen blanken en zwarten zal uitgewist worden. In de namiddag heeft de heer M- van Hemelryck, minister van Openbaar Onderwijs, deze woorden bevestigd en eraan toegevoegd, dat de Belgische politiek slechts gericht kon zijn op de volledige onafhankelijkheid van de1 Congolezen. Voor deze onafhankelijkheid is het ogenblik echter nog niet gekomen; zij kan slechts in het vooruitzicht gesteld worden, maar niets laat ons toe nu reeds een datum op te geven. Deze verklaring is uitgegaan van de katholiek-liberale regering. De socialisten hebben er onmiddellijk het dubbelzinnige karakter van in het licht gesteld. Op het sociale en economische plan brengt deze verklaring, aldus de socialisten, geen vooruitstrevende vergezichten; men mag er dan ook van verwachten, dat zjj door de gebeurtenissen over het hoofd zal gelopen worden. Is dit laatste inderdaad zo? De regeringsverklaring is niet buitengewoon helder of moedig, men moet het toegeven. Zal zij gevolgd worden door een tweede oproer in Congo? Men is er bang voor.
EEN opgehitste massa zwarten is ’n angstwekkend schouwspel...”, zo schrijft de Vlaamse journalist M. G. Ruys, die reeds een paar dagen na de gebeurtenissen van 4 januari aankwam te Leopoldstad. En inderdaad, de Belgen die met trouw en kinderen de zondagnamiddag hadden doorgebracht op het Funaveld, de zwem- en tennlsgelegenheld achter de inlandse wijk, en die in de broeiende vooravond naar huls terugkeerden, werden door een echte paniekstemming aangegrepen toen zij op hun weg plotseling voor duizenden zwarten stonden en met alle mogelijke projectielen bekogeld werden. De kinderen legden zich plat in de auto’s neer, de vrouwen gilden (ooggetuigen vertellen dat sommigen onder hen uit de wagen
JAN WALRAVENS
gesleurd werden en op „onterende wijze mishandeld”), de mannen joegen hun auto in volle vaart in de menigte, verwondden en doodden zelfs wat hen in de weg stond. Wat op duizenden kilometers van ons gebeurt, wordt gemakkelijk overdreven: toen uit Leopoldstad de verslagen binnenkwamen van de journalisten, die de feiten bijgewoond hadden, klonken zy nog veel harder dan wat de persagentschappen in de eerste dagen meegedeeld hadden. DE herrie begon in de Congolese gemeente Kalamu van Leopoldstad. Aldaar was een vergadering belegd van de „Abako”, een culturele vereniging met nationalistische inslag van de stam van Beneden Congo. Deze stam heeft het grootste aantal zwarte inwijkelingen aan Leopoldstad geleverd. De „Abako” heeft zich aanvankelijk vooral bezig gehouden met de eenmaking van de taal van die stam. Onder leiding van Kasavubu, de heerszuchtige gewezen burgemeester van een andere Congolese gemeente, Dendale, was de vereniging echter snel gewonnen voor de extremistische oplossingen en werd nog enkele dagen geleden gezegd, dat de „Abako” de „onmiddellijke en onvoorwaardelijke onafhankelijkheid van Congo” wou. Die Kasavubu stamt waarschijnlijk af van een slaaf uit het gewest van Tshela. Hij heeft zijn onderricht gekregen van de katholieke missionarissen van Bata-Kiela en is loopjongen geweest bij het Belgisch gouvernement in Leopoldstad. Hij is er in geslaagd talrijke zwarte geëvolueerden of afgestudeerden rond zich te scharen, maar heeft ook het vertrouwen gewonnen van godsdienstige secten als deze van de Matsuanisten, de Kintuadisten, de Mpadisten, al secten die tot de algemene religieuze beweging van het Kibangisme behoren. De vergadering van de „Abako” in het tehuis van de protestantse vereniging Y.M.C.A. zou bijgewoond worden door Arthur Pinzi, zwarte burgemeester van Kalamu, die zopas van een studiereis uit België teruggekeerd was. Op het laatste ogenblik werd de samenkomst echter verboden door de blanke overheid, die vreesde dat de aanwezigheid van Kasavubu relletjes zou meebrengen. De vergadering had toch plaats en Kasavubu nam er het woord. Meteen verscheen de politie, die aanvankelijk uit zwarten bestond. Dit deed de relletjes pas ontstaan. Zij groeiden bijna dadelijk uit tot een oproer. Eerst werd de politie bekogeld, dan werden nabije benzinepompen vernield en in brand gestoken, vervolgens werd de handelswijk Foncobèl,
Waar vooral Portugezen, Grieken en Joden een kleine’, inlandse handel drijven met de zwarten, geplunderd, ten slotte werden de blanken, die met hun wagens dóórheen de zwarte wijk moesten om het Belgische gedeelte van' de stad opnieuw te bereiken, aangevallen. HET staat vaat, dat de versterkingen te laat aangekomen zijn. Het staat ook vast, dat zij bijna onmiddellijk van hun vuurwapens gebruik gemaakt hebben en op een der foto’s die Uit Leopoldstad te Brussel aangekomen is, kan men zelfs een klein kanon ontwaren. Maar het staat ook vast, dat de vernielingswoede van de steeds aangroeiende zwarte menigte spoedig geen grenzen meer gekend heeft en dat officiële gebouwen, scholen, banken het hebben .moeten ontgelden. De katholieke missie St. Pieter werd volledig in puin gelegd, de missionarissen werden mishandeld (een onder hen werd de baard afgesneden) en op de vlucht gedreven, hetgeen er op wijst dat de opstand. ook een religieus karakter bezit en dat Kasavubu niet alleen de regering maar ook de godsdienst van de blanken verafschuwt. De nacht van zondag heeft enige rust gebracht, maar de volgende maandag is het oproer opnieuw met grote heftigheid losgebroken. Er zijn toen zeer hevige gevechten geleverd in al de gedeelten van de
zwarte wijken vanwaar de inlanders hun aanval op het Belgische gedeelte van de stad wilden doorzetten. Pas dinsdagmorgen was de rust op betrekkelijke wijze hersteld. Toen begon de zogenaamde „Ultkammingsactie” vanwege de Belgen, een actie die er volgens het Belgisch bureau van de Internationale Vereniging der Rechtskundigen-Democraten in bestaat, „dat aanhoudingen zonder onderscheid gemaakt worden, alsook blinde bestraffingen en gezamenlijke maatregelen, die getroffen worden om een voorbeeld te stellen”, een actie Waartegen deze vereniging met klem geprotesteerd heeft. WANT het is niet waar, dat in België iedereen met passie party gekozen heeft tegen de opstandige zwarten en voor de verraste blanken. Wel heeft hier iedereen één of meer familieleden wonen In de kolonie. Vooral sinds het einde van de oorlog waren immers verscheidene Belgische gezinnèn uitgeweken naar Congo. En wel wordt het plunderen en mishandelen algemeen afgekeurd. Maar dat de opstand er zou komen, dat ook Congo ten slotte betrokken zou worden in de grote onafhankeiykheidsbeweging van de gekolonialiseerde volkeren, daar waren de meeste Belgen het sedert lang mee eens. Zelfs al zou de positie van de zwarten in Belgisch Congo nog zo schitterend geweest zyn tegen deze van hun kleurgenoten in andere kolonies van Afrika, zelfs dan mocht men er zich aan verwachten dat de haan van het oproer eenmaal zou kraaien langs de oevers van de Congostroom. Heel Afrika is nu eenmaal in beroering en te Akkra heeft men verklaard, dat heel Afrika in 1960 verlost zou zijn van het kolonialisme. Maar de opstand heeft in het licht gesteld, dat die toestand van de zwarten in Congo helemaal zo schitterend niet was. De jonge Congolees Paul Mwobi, die sinds 7 jaar in België studeert maar reeds verscheidene terugreizen naar zijn land ondernam, heeft in „De Standaard” van 10 januari geschreven, dat er in Congo vooral „welvaart is van weinige blanken, en slechts enkele kruimels voor de zwarte proletariër die meestal in ellendige voorwaarden leeft. Aan de ene zyde het blanke, een heersende klasse van ca. 100.000 personen, aan de andere zyde het zwarte, een kruipende, dienende massa van ongeveer 13 miljoen zielen.” En heeft de heer M. van Hemelrijck, minister van openbaar onderwys, niet moeten toegeven, dat de zwarte werklozen te Leopoldstad van 16.000 in juni 1958 tot 22.300 in november 1958 gestegen waren? De Belgische kolonialen, die om de drie jaren met verlof kwamen in het moeder(Zie vervolg op pag. 6)
Oproer in Congo (Vervolg van pag. 4) land en die hier over het algemeen een buitengewone sier maakten, kon men gemakkelijk in twee kampen verdelen, maar die kampen waren aan mekaar gewaagd. Er waren degenen die de opstand onvermijdelijk achtten, maar die vooral de Congolese universiteiten beschuldigden van deze stand van zaken. „De Belgen hebben het oproer zelf geschapen op de dag dat zij de zwarten een intellectuele vorming toestonden”, was hun standpunt. Aan de andere zijde stonden degenen, die de zwarte nog steeds voor de onbekwame, zij het schijnheilige koelie hielden, waarvoor de eerste kolonialisten, de mannen van de knoet en van de schoppen in het achterwerk, hem versleten hadden. „De neger behoort tot een inferieur ras; hij zal nooit' tot iets in staat zijn. Hij wordt slechts opgehitst door Cairo en door de Amerikanen die het gemunt hebben op de prachtige vruchten van onze inspanningen op Congolese bodem.” Het waren twee zuiver reactionaire standpunten. Ze brachten de klassieke argumentatie van de kolonialist, die het ras dat aij veroverd heeft, kleineert om het beter :e kunnen exploiteren. Het moet ons dan lok niet verwonderen, dat de Belgen van Leopoldstad nu reeds klagen over het onoegrip van Brussel en dat zij de oprichting zan comité’s van openbaar welzijn, op J'rans-Algerijns model, in het verschiet stellen. \ L kan niet geloochend worden, dat iedere Belg vooral in de laatste jaren geprofiteerd heeft van de welvaart die door longo geschonken werd, toch heeft het kolonialisme in België zelf nooit talrijke volgelingen gevonden. De Belg is zelf te :eer op zijn vrijheid gesteld en de aanheching van Congo bij het moederland is een
nog te dichtbije geschiedenis, opdat men te Antwerpen of te Luik de aanmatigende houding zou aannemen, die weleens deze van Parijs en Londen en zelfs van Den Haag is geweest. Maar het is waar, dat men te Brussel al te lang gewacht heeft om het probleem van de politieke vrijheid van Congo aan te pakken en dat men in 1954 Boudewijn gestuurd heeft om de juristen niet te moeten zenden. Thans heeft dat probleem een dwingende en dringende betekenis verkregen, maar is het misschien reeds te laat om er nog een Belgische oplossing aan te kunnen verlenen. Reeds wordt gefluisterd, dat grote geldbelangen klaar en bereid zijn om zich aan te passen aan de Congolese onafhankelijkheid en dit zonder Belgische verbindingen. Reeds wordt gedacht aan de totale repatriëring van de Belgen uit Congo... Men vraagt zich af hoe de zwarte bevolking van de kolonie reageren zal op de ministeriële verklaring van de heer M. van Hemelrijck. Maar met even grote zorg kijkt men uit naar de houding van de Belgen in de kolonie. Zij zijn bij machte om nog meer te verbrodden dan er al verbrod werd. Wilden zij maar inzien, dat de onafhankelijkheid van Congo hun vertrek niet noodzakelijkerwijze moet meebrengen. Zoals M. G. Ruys in „De Standaard” schrijft: „De zwarten hebben meer dan ooit behoefte aan blanke deskundigen en aan blank kapitaal.” En hij voegt er zeer juist aan toe: „Het komt er echter op aan ze de morele voldoening te schenken niet langer een koloniaal volk te zijn.” Het zal wel waar zijn, dat de Belgen grote prestaties geleverd hebben op Congolees grondgebied. Maar het is ook waar dat ieder volk recht heeft op zelfbeschikking. Niet één werkelijk democratisch voelend hurger zal dat recht willen loochenen. Daarom kan men in Congo slechts aan de zijde van de zwarten staan, zelfs wanneer men de mishandelingen en vernielingen van 4 januari afkeurt. •
illustratie met onderschrift
JOURNAAL ACTUALITEITEN VAN DE WEEK
WAT HEEFT DE SOWJET-UNIE BEreikt met het vrijwel gelijktijdig lanceren van Loenjik, Mikojan en de nota’s inzake het Duitse vredesverdrag? Zij heeft, met het nieuwe planeetje, nogmaals een wetenschappelyk en technisch niveau gedemonstreerd, waarby de buitenwacht begrijpelykerwijs altyd weer verband legt met militaire mogelykheden en gevaren. Zy heeft, met Mikojans reis door de Verenigde Staten, gedemonstreerd dat er zonder stroefheid met haar te praten valt. En zy heeft, met de nota over Duitsland, aangegeven waar de schoen haar wringt, wat zij als haar grootste risico ziet, en wat zy in die sfeer vóór alles nastreeft, te weten: erkenning, zoal niet in rechte dan toch in feite, van haar satelliet en protégé OostDuitsland oftewel de Duitse Democratische Republiek. En zy heeft deze dingen gedaan —■ maar welke staat zou niet net zo proberen te handelen? — op een voor haarzelf uit tactisch oogpunt gunstig moment. Immers zy heeft de handen beter vry voor een conferentie dan de andere drie van de grote vier — Frankryk doet net een grootscheepse poging, misschien wèl, misschien niet slagend, om orde op eigen zaken te stellen; Engeland gordt zich aan voor een verkiezingsstryd; en Amerika tobt met een allengs politiek-uitgebluste president, die in het Congres bestookt wordt door een overmachtige tegenpartij. Over het planeetje behoeft niets meer te worden gezegd — het heeft zyn taak vervuld en kan eeuwig verder zwieren, ongezien, ongehoord. Mikojans nieuwe bezoek aan de Verenigde Staten — hy was er al, eens in 1936 om enige nogal elementaire zaken op het gebied van verbruiksgoederen en derzelver distributie te leren — heeft een verloop gehad dat hemzelf en zijn gastheren (politici, big business, juristen) aangenaam schijnt te hebben verrast. Natuurlijk zyn er overal ook de verwachte anti-communistische betogingen geweest, maar de meereizende journalisten hebben geconstateerd, dat die betogingen een soort boemeranguitwerking hebben gehad, mede door de koelbloedigheid waarmee Mikojan erop reageerde. De boze kreten en de eieren gaven als het ware extra relief aan de onmiskenbare hartelijkheid, waarmee invloedrijke groepen in openhartige en allerminst zoetsappige discussie met hun Armeense gast tot uiting brachten, dat —• natuurlijk ook om zakelyke redenen — een politieke ontspanning tussen de twee grootste mogendheden, de Verenigde Staten en de SowjetUnie, hun welkom zou zijn. Zo welkom als zij trouwens elk zinnig mens behoort 'te zijn. Het is communistische mode om op het
Amerikaanse grootkapitaal te schelden, maar als het alleen aan dat grootkapitaal lag zou het ijs tussen Moskou en Washington vermoedelijk heel wat eerder gebroken zyn dan nu ook scherper-gestelden een groot woord hebben mee te spreken. Harrison Salisbury van de New York Times (oud-correspondent te Moskou en een der verslaggevers van Mikojans toemee) heeft ’ het zo uitgedrukt: „Mikojan moét wel de indruk krygen, dat er een diepe klove ligt tussen officieel Washington, met zyn diepvries-benadering, enerzyds, en de houding van invloedryke zakenbelangén anderzijds. In tegenstelling tot de regering heeft big business op Mikojan gereageerd met traditionele warmte... Het ziet ernaar uit, dat Washington, in weerwil van herhaalde adviezen van Llewelyn E. Thompson Jr., de ambassadeur in Moskou, de kracht en de kloekheid van Mikojans persooniykheid heeft onderschat, evenals de energie waarmee hij de Amerikanen de overtuiging zou gaan bybrengen, dat het tijd is de koude oorlog te beëindigen.” Meereizende, maar geenszins fellowtravelling!, journalisten hebben geconstateerd, dat Mikojan vooral indruk maakte doordat hij realistisch sprak, zonder mooipraterij van eigen en afkammerij van anderer standje, en dus een aangenaam contrast vormde met wat zo vaak van communistische kant wordt ervaren.
Mikojan heeft in amerika met zoveel woorden gezegd, dat de Sowjetnota van eind november, de nota over Berlyn, niet als een ultimatum w.as bedoeld. De nota over Duitsland, die tydens zyn verblyf in de V.S. door de Russen werd rondgedeeld en gepubliceerd, duidt in dezelfde richting. De nota van november was blijkbaar veeleer de openingszet voor onderhandelingen over meer-omvattende zaken, te weten over de Duitse kwestie in haar geheel. Nu behoeft men, als onderhandelingen over Duitslands toekomst aan de orde worden gesteld, beslist niet de illusie te hebben dat een conferentie in 1959 tot kanten-klare oplossingen zou kunnen leiden. Als de Russen het voor hen aannemeiyke resultaat opperen: een neutraal, federatief Duitsland, zonder duikboten en kernwapens, kortom een Oostenrijk-in-het-groot, dan zegt het Westen en dan zegt ook het Adenauerregime begrijpelijkerwijs dat dit onaanvaardbaar is. En als het Westen oppert (maar Dulles oppert het al niet meer) vrije verkiezingen in heel Duitsland (met als resultaat een naar het Westen gericht parlement en een dito regering), dan zeggen de Russen hunnerzijds, eveneens begrypëlijkerwijs: onaanvaardbaar. Want in elk van beide gevallen gebeurt volledig datgene wat de ander per se niet wil. Het gaat dus niet om de grote afdoende oplossingen. Want die bestaan op het ogenblik niet. Het gaat om veel kleinere desiderata, waarbij men elkaar een stapje tegemoet zou kunnen komen. Walter Lippmann heeft met zijn gewone redelijkheid, behoedzaamheid, gematigdheid, in de N.Y. Herald uitgelegd hoe zulke stapjes er zouden kunnen uitzien. Het Westen zal, zolang er geen allesomvattende Duitse regeling is, zyn troepen niet uit West-Berlijn kunnen en willen terugtrekken, en die troepen moeten vrij kunnen worden bevoorraad; de Russen kunnen hoog of laag springen, ze komen daar niet onder uit. Anderzijds kan men (zelfs een man als Dulles heeft in die zin al eens een woordje laten vallen) de Russen moeilijk beletten, hun bevoegdheden in Berlijn aan de Oost-Duitsers te delegeren, die dan ook de bevoegdheid zouden kryge.n, grensoverschrijdingspapieren der Westelijke militairen te controleren, zoals zij nu reeds West-Duitse papieren controleren zonder dat Adenauer daar bezwaar tegen maakt; waarom zou men „Bonner dan Bonn” zijn? Kortom, als Moskou zijn eis: vertrek der Westerse troepen uit West-Berlijn en vorming van een „vrije stad” West-Berlijn (die dus in feite een derde Duitse staat zou zijn) intrekt, zou het Westen bereid kunnen zijn toe te geven dat Oost-Duitsland bestaat.
r.n Hieraan mag, ros van alle nota s en onderhandelingen, nog wel een opmerking worden toegevoegd. Het bestaan van OostDuitsland, niet slechts als land-van-oorsprong van uitwijkelingen, maar als snel groeiende, vooral in economisch opzicht snel groeiende macht, wordt met name in WestDuitsland met toenemende grifheid en zelfs nadrukkelijkheid erkend. De Oost-Duitse pretentie dat men over twee jaar hetzelfde welvaartspeil zal hebben bereikt als WestDuitsland, kan nog als een illusie worden weggewuifd. Maar dat men in die richting flinke vorderingen maakt, wordt in schrandere West-Duitse bladen als een onloochenbaar feit beschouwd. Men wydt daar tegenwoordig veel meer aandacht aan de ontwikkelingen in dat andere landsdeel dan kórt geleden nog het geval was. Frankrijks vijfde republiek is nu geïnstalleerd, en naarmate de heugenis aan haar voorgangster vervluchtigt beginnen haar eigen zorgen, strubbelingen en moeilijkheden zich duidelijker af te tekenen. Over één moeilijkheid is hier al eens geschreven' en er zal nog aanleiding genoeg zijn om erop terug te komen: de ontevredenheid die in zeer brede bevolkingslagen moest ontstaan doordat een sterke stijging der kosten van levensonderhoudniet gepaard ging met een daaraan evenredige styging der lonen. Een tweede, minder belangrijk motief tot knorrigheid betreft de nonchalante haast waarmee decreetsgewijs het land met een enorme hoeveelheid nieuwe wetsteksten werd opgescheept zonder dat men — zoals in de vermaledijde Vierde gebeurde — het publiek behoorlijk voorlichtte omtrent beweegredenen, oogmerken en consequenties, en zonder dat volksvertegenwoordigers de kans kregen daarnaar te informeren. Maar men kan dit desgewenst wel zien als een achterstand die kan worden ingehaald. Zijn het vooral de linkerzijde en de liberalen, die door de economische politiek en de wetgevende methoden der regering in meerdere of mindere mate ontstemd zyn, op een ander, wel zeer belangrijk punt heeft de Gaulle juist zijn aanvankelijke medestanders opnieuw teleurgesteld en gegriefd. Het betreft Algerije. Zijn presidentsfunctie aanvaardend heeft de generaal een rede gehouden, waarin hij het o.a. had over de „voorkeurspositie van het gepacificeerde en getransformeerde Algerye van morgen, dat zelf de eigen persoonlijkheid zal ontwikkelen, nauw verbonden met Frankrijk”. Vooral dat woord „zelf” (elle-même) heeft het vele Algerijnse Fransen, die voortdurend op „integratie” tamboureren, aangedaan. En de aankondiging, dat de indertijd gekidnapte Algerijnse leiders uit de gevangenis zullen worden overgebracht naar het eiland Belle-Ile, doet voor veel diehards de deur dicht. Hoe „liberaal” zal de Gaulle kunnen zyn zonder onder die diehards een storm te ontketenen?
Wat voor een visum heeft Mikojan? — Meer Scandinaviërs naar Australië — Nassers woestijndroom
IN HET OOG DER WERELD
rjE cursivist Robert Escarpit schryft in de Monde: Wat mij intrigeert is de kwestie van het visum. Mikojan heeft duidelijk gezegd: hij is in de Verenigde Staten als toerist. Ik neem dus aan, dat hij zijn diplomaten-pas in een la van zijn bureau in het Kreml heeft laten liggen en zich van een gewone pas heeft voorzien — anders zou het er toch wel een beetje raar uitzien met dat toerisme. Toen hij zijn visum aanvroeg, heeft hij toen gezworen dat hij niet naar de V.S. ging met de bedoeling de president te vermoorden en de regering met geweld omver te werpen? Ik vraag dat maar, want deze verbintenis die men van een doodgewoon sterveling verlangt, beperkt toch wel zeer de activiteit van zo’n reiziger. Heeft Mikojan moeten opgeven of hy.lid is van de communistische partij en sinds wanneer, en vooral ook uitleggen waarom hij al zo lang in de Sowjet-Unie verblijf houdt? De Amerikaanse autoriteiten hadden aan alles gedacht om lastige mensen te weren zoals: terroristische toeristen, smokkelende toeristen, spionnerende toeristen, revolutionaire toeristen. Hadden ze ook wel gedacht aan de politieke toerist? Wat gewed, dat mensen die een visum wensen voortaan de volgende vraag zullen moeten beantwoorden: behoort u of hebt u ooit behoord tot de regering of tot het centraal comité van de partij of de leidende organisatie van een soevereine staat? En op de vragenlyst van de douane komt er nog een vraag bij: hebt u soms een planeH in uw bagage?
TJIT een brief van de Australische correspondent van de Manchester Guardian: Van 1 januari af is de Australische regering 71 in plaats van 46 pond gaan betalen als bijdrage in de passageprijs van goedgekeurde, bijstand-krijgende immigranten uit Noorwegen, Zweden, Finland en Zwitserland alsook uit de Verenigde Staten. De bijdrage voor immigranten uit Denemarken was al tot dit peil verhoogd. Het betreft hier een rechtstreekse poging om meer mensen te krijgen uit landen, aan welke het migreren blijkbaar moest worden aangepraat. Maar deels is er óók een bedoeling om het percentage „noordse” nieuwelingen op te voeren. Tot juni 1958 waren h ' "■ ' ' :
sr na de oorlog slechts 7.000 mensen uit Scandinavië naar Australië gekomen. Men wil er méér hebben, want, om met de minister voor Immigratie, Alexander Downer, te spreker: „Zij hebben de bekwaamheden en de nationale eigenschappen die hen in staat stellen zich vlot in de Australische gemeenschap te voegen”. Bij een aantal oudere Australiërs is er een onderstroom van twijfel geweest in verband met het grote percentage Zuid-Europeanen, en met name Italianen, in de naoorlogse stroom immigranten. Ruim 200.000 Italianen zijn naar Australië verhuisd; ze vormen verreweg de grootste groep Europeanen. Ook zyn er ongeveer 56.000 Grieken gearriveerd. Deze immigranten en ook de
mderen uit Zuid-Europa en de Balkan zyn ichter met veel minder wrijving geabsorbeerd dan de meest kosmopolitische voorJorlogse Australiër ooit had durven voorspellen. De grote immigratie uit Nederland heeft ‘rtoe bijgedragen het „noordse” percentage loog te houden. Vooral in de laatste paar jaar — nu alle hoop dat Oost-Indië weer ;en afzetgebied voor Nederlanders zou vorden vervlogen is — is het aantal Nederandèrs dat hierheen kwam voortdurend gebroeid. De 100.000ste na-oorlogse Nederlandse immigrant is in 1958 in Australië geïrriteerd. Net zo min als het nodig was le immigratie aan Italië aan te praten is iet nodig geweest ze aan Nederland aan e praten. En na de Italianen zijn de Ne----- ii
derlanders thans de talrljkste groep buitenlanders in Australië. Ze verspreiden zich, en het gaat hun kalmpjes-aan goed. Zy vormen geen enclaves. ...Op, een totale bevolking van nu 10 miljoen heeft de immigratie in de afgelopen twaalf jaar 1.363.000 personen bruto en ruim een miljoen netto opgeleverd. Van die nieuwelingen waren 630.000 Brits — en in dit geval omvat „Brits” in de statistiek ook de Maltezers en de Ieren. ...Er valt thans in Australië wel eens een vage neiging waar te nemen om er met trots op te wyzen dat men van een dwangarbeider afstamt, als bewys van echt oud Australiërschap (de eerste blanken die hier woonden waren veroordeelden uit het
moederland), aangezien tot de nieuwe Australiërs ook 29.000 Joegoslaven en 25.000 Hongaren behoren en de mogelijkheid bestaat, dat Australisch „slang” gesproken wordt met een Oekraiens accent... pRESIDENT NASSER heeft onlangs in zijn rede te Port Said gezinspeeld op een groot project: het in cultuur brengen van de „westelijke woestijn". In de F i g ar o lezen wij hierover de volgende bijzonderheden: Allang was men, door het werk der geologen, op de hoogte van het bestaan van een watervlak onder de Nubische zandsteen, die het voetstuk vormt van de grote Libysche woestijn. De verbindingen met de Nijl benevens de was van dat water waren bestudeerd. Men wist dat de artesische putten van de oasen Charga, Dachla, Farafrah en Baharjah gevoed werden door die onzichtbare Nijl, die traag van het hart van Afrika naar het noorden stroomt. In de jongste drie jaar werden nieuwe putten geboord in de oasen, hetgeen de ontginning mogelyk heeft gemaakt van gebieden die lang geleden vruchtbaar waren, maar al geruime tijd verlaten zijn. Aanvankelijk beoogde men hiermee uitsluitend het schamele lot van de woestijnbevolking te verbeteren. Maar eensklaps is dit plan „project nummer twee van de Egyptische revolutie” geworden. De Aswan-dam blijft natuurlijk nog lang nummer één. ... In grote lijnen gezien komt het plan hierop neer, dat men zowat honderd artesische putten wil graven, met behulp waarvan men de grote oasen ten westen van het Nyldal door een ononderbroken bevloeiingsnet wil verbinden.