11® Jaargang-.
ZATERDAG 5 JUNI 1897.
No 23.
SOCIAAL WEEKBLAD.
Redactie: Mr. B. I. PEOLHARIM te Delft en Mr. M. W. F. TREUB te Amsterdam.
ONDER MEDEWERKING VAN
R. VAN ZINDEREN BAKKER, Mr. Z. VAN DEN BERGH, Mr. H. J. BIEDERLACK, Mr. H. GOEMAN BORGESIUS, Dr. G. W. BRUINSMA, Mr. H. L. DRUCKER, Mr. Ph. FALKENBURG, c. V. GERRITSEN, Mr. G. A. VAN HAMEL, CORNELIE HUÏGENS, Mr. A. KERDIJK, Mr. P. W. A. CORT VAN DER LINDEN, j. c. VAN MARKEN, Hel. MERCIER, Dr. J. Th. MOUTON,
P. NOLTING, Mr. H. P. G. QUACK, CAT. E. DE VRIES ROBBÉ, M. M. L. RUTTEN, H. W. J. A. SCHOOK. D. STIGTER, P. L.TAK, F. M. WIBAUT
Stukken voor de redactie te zenden aan Mr. B. H. PEKELHARING te Delft. - Voor de administratie aan den uitgever
H. D. TJEENK WILLINK te Haarlem.
Dit blad verschijnt eiken Zaterdag. - Prijs per 3 maanden fr. p. p. / afzonderlijke nummers 10 cents. - Advertentiën per regel IS cent.
INHOUD: Ouderlijk gezag en voogdijl. — Celstraf (Slot), door Mr. A. van der Eist. Verscheidenheden : Mevrouw Eva McJLaren; Staatsdokters ; Het internationale congres voor wetgeving op den arbeid te Zünch.—Ingezonden: Klassenstrijd, door Junior; Meten met twee maten, door Witsenborg. — Fonds van der Wallen. — Advertentiën.
OUDERLIJK GEZAG EN VOOGDIJ.
I
Zonder zich te laten weerhouden door den naderenden dood van de tegenwoordige Tweede Kamer, gaat de minister van justitie met onverstoorbare kalmte voort wetsvoordrachten te produceeren. Eerst de verzekering tegen ongevallen, nu het ouderlijk gezag en de voogdij. Beide deze ontwerpen staan in zoover op gelijke lijn, dat zij te laat zijn afgekomen, om in dit wetgevend tijdperk in behandeling te kunnen komen; maar toch is er een niet gering verschil in beteekenis tusschen beide producten van den wettemakers-arbeid van het ministerie van justitie. Het ééne, het ongevallen-ontwerp, ligt zoo geheel op het terrein der politieke vraagstukken van den dag, en is in meer dan een opzicht zoo principieel en zoozeer inloopende tegen de oud-liberale beginselen van staatsrecht en staatsmanswijsheid, dat het — hoezeer ik overtuigd ben van de eerlijke bedoeling van den samensteller — als daad van het ministerie, n'en déplaise den heer Van Houten, niets meer is dan een zet op het politieke schaakbord, die alleen dan goed zou zijn te noemen, als de tegenpartij van den ministerieelen leider even onnoozel was als hij haar aanziet.
De heer Van Houten heeft mij te Groningen verweten dat ik het ongevallen-ontwerp van zijn kant een verkiezings-manceuvre heb genoemd en die onderstelling, waarschijnlijk met een verontwaardigd handgebaar, ver van zich geworpen1. Ik begrijp dat hij met zijn redenaars-talent in eene groote vergadering poseerende voor de vermoorde onschuld, indruk maakt, en ik begrijp evenzeer dat hij, dit wetende, van die wetenschap gebruik maakt. Maar de heer Van Houten zal van zijn kant wel begrijpen,
1 Nadat dit artikel reeda ter perse waa, zag ik dat ook mr. v. d. Kaay , den leider van het ministerie, ook in deze zaak getrouw volgende, mij van verdachtmaking beschuldigde, omdat ik de tardieve indiening van het ongevallen-ontwerp een verkiezings-manceuvre noemde. Het hierboven geschrevene atrekke daarom ook hem tot antwoord.
dat zijn argument: „ik houd mij met verkiezings-manoeuvres niet op", bij het lezen op mij geen diepen indruk heeft gemaakt. Een sterk gekleurd politiek ontwerp openbaar maken aan den vooravond eener verkiezing, op een tijdstip waarop men weet dat het niet meer in behandeling komen kan, zou als een geloofsbelijdenis kunnen worden opgevat, als het een uitwerking inhield van een der leidende beginselen van het ministerie. Wanneer het daarentegen het hoofdbeginsel van den hoofdman in het ministerie gansch en al verzaakt, zich in zijn hoofdlijnen geheel afwendt van de door dien hoofdman beleden „schijnbaar harde" individualistische theorie, om zich aan te sluiten bij de wensc'hen van zijne sociaalhervormingsgezinde tegenstanders, dan is dat ontwerp, voor zoover die hoofdman daaraan deel had — en dat het niet tegen zijn wensch gepubliceerd werd, is o. a. uit de rede van den heer Van Houten te Groningen duidelijk gebleken — öf een beginselvarzaking, öf een domheid, óf een verkiezings-manceuvre.
Van beginselverzaking is hier geen sprake, want nog onlangs gaf de heer Van Houten een heelen bundel opstellen uit om zijne „schijnbaar harde" individualistische beginselen in wijder kring bekend te maken; domheden onderstelt men bij een Van Houten niet; — maar wat blijft dan over dan een verkiezings-manceuvre, een Liebaugeln met de sociaal-politieke overzijde ? Zoodra ik hierop een duidelijk en bevredigend antwoord zal hebben gehoord, zal ik mijn verwijt intrekken dat het ongevallenontwerp , als uiting van het ministerie — ik spreek niet van den minister van justitie persoonlijk of van de ambtenaren aan zijn departement die het ontwerp voorbereidden niets was noch is dan een verkiezingsmanceuvre.
Waarom ik deze zaak hier bij haal? Eenvoudig om te verklaren waarom ik wèl schrijt naar aanleiding van het ontwerp over het ouderlijk gezag en de voogdij en niét over het ongevallen-ontwerp. Het eerste heeft slechts zeer weinig politieke kanten en voor zoover het die heeft, gaan zij tegen de politieke beginselen van het ministerie niet in. Ik kan dat dus veilig bespreken, zonder gevaar te loopen reclame te maken voor eene regeering, die mij niet welgevalliger wordt door de omstandigheid dat zij vlak vóór den verkiezingsstrijd een daad doet, welke