Katholiek sociaal weekblad, jrg 6, 1907, no. 15, 13-04-1907

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6e Jaargang.

ZATERDAG 13 APRIL 190;

No. 15

KATHOLIEK SOCIAAL WEEKBLAD.

Redacteur: Mr. P. J. M. AALBERSE.

aRlle stukken voor de 'Redactie te adresseeren, Ou.de Singel 78, 'Leiden, — aKU.es wat de jRdministratie betreft, aan de Uitgeefster, de Maatschappij de 'Katholieke illustratie, St. dorisstraat G. 147, 's-iHertogenbosch.

DIT BLAD VERSCHIJNT ELKEN ZATERDAG.

Prijs per drie maanden f 1.00, fr. p. post f 1.12%; afzonderlijke nummers 15 Cent. — fldvertentiën per regel 15 Gent Boekaankondigingen 7% Cent.

INHOUD: Algemeene Dienstplicht en Weerbelasting I, door H. J. A. Feber. — Wettelijke Regeling van den Arbeidstijd I, door J.W. Ratté. — Uit Tijdschriften: Warenhuizen II. (Slot.) Berichten en Mededeelingen; Gegraaide Bloempjes. — De Kindergevangenis. — Negende Limburgsche Katholiekendag te Maastricht. — Korte Berichten: Begrijpelijke woede. — Een R. K. Schippersorganisatie. — Sociale Wetgeving en S. D. A. P.

— Neutrale Vakorganisatie. — Ook al Grober Unfug. — Belasting op Waardevermeerdering. — Collectieve Contracten. — Zondagsrust. — Stadsarbeiders en Coöperatie. — Kinderverzorging. — Een met de goede zeden strijdende pensioenkas. — Arbeidsbeurs-systeem.

— Ned. R. K. Vakvereenigings-Congres. — Rectificatie. — Ontvangen Boeken. — Nieuwe Boeken.

ALGEMEENE DIENSTPLICHT EN WEERBELASTING. — I.

Het militaire vraagstuk staat in het teeken van den algemeenen dienstplicht. In woord en geschrift, in vergaderingen — vooral politieke — en partijprogramma's, in adressen en petities, in en buiten de Kamers, men hoort en ziet overal de leuze: afschaffing van de loting, hervorming van het leger op den grondslag van den algemeenen dienstplicht. Als de »Pinkpillenu voor de aan alle kwalen lijdende menschheid, wordt de algemeene dienstplicht aanbevolen als het geneesmiddel voor ons zoo kranke leger, met zijn zoo breed uitgemeten gebreken en talrijke verouderde instellingen.

Begrijpelijk, dat tegen een zoo geruchtmakende propaganda een andere beweging is gesteld, waarvan als een uiting is te beschouwen de onlangs opgerichte »Bond tegen den Algemeenen Dienstplicht.«

Het behoeft geen betoog, dat een aanzienlijke uitbreiding van het contingent, om nog niet van invoering van algemeenen dienstplicht te spreken, zich sterk in alle lagen der maatschappij zou doen gevoelen, waarom een bespreking van dit onderwerp in dit Weekblad ons alleszins gewettigd voorkomt.

Door de voorstanders van den algemeenen dienstplicht werden verschillende motieven aangevoerd, waarom zij deze legerhervorming wenschelijk, ja noodzakelijk, achten.

En dan hooren wij in de eerste plaats verkondigen, dat de algemeene dienstplicht door de Grondwet wordt geeischt; handhaving van de loting heet een verkrachting van de grondwettelijke bepalingen.

Wij achten deze meening eene onjuiste.

Art. 180 van de Grondwet luidt:

»Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verplicht mede »te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het »Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

»Ook aan ingezetenen, die geen Nederlanders zijn, kan »die plicht worden opgelegd."

en art. 181 :

»Tot bescherming der belangen van den Staat is er »eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig die»nenden en uit dienstplichtigen.

sDe Wet regelt de verplichte krijgsdienst. Zij regelt »ook de verplichtingen, die aan hen, die niet tot de zee»of landmacht behooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden."

Met uitzondering van hen, die om een of andere reden ongeschikt worden geacht mede te werken tot verdediging van het Rijk, rust dus op alle Nederlanders de verplichting hun diensten tot dit doel ter beschikking van het Vaderland te stellen.

Maar zij kunnen op verschillende wijzen aan dien plicht voldoen: ie door bij de zee- of landmacht te dienen, 2e op andere wijze, door de wet aan te geven.

Terwijl de vorige Grondwet in het overeenkomstige artikel nadrukkelijk bepaalde:

»Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en het beveiligen van zijn grond»gebied blijft een der eerste pligten van alle ingezetenen."

Wordt het dragen van de wapenen thans niet meer geeischt, om aan's landsverdediging te kunnen medewerken?

De bedoeling van de artikelen 180 en 181 van de Grondwet is ook blijkens de toelichting op de voorstellen der Staats-Commissie tot grondwetsherziening (1884) de vroegere beperkende bepaling voor een ruimere opvatting te doen plaats maken; ook buiten het leger kan tot de verdediging van het grondgebied van den Staat worden bijgedragen.

En in het Verslag der Staats-Commissie tot voorbereiding der wettelijke regeling van den militairen dienstplicht (1888) wordt dit beginsel nader uitgewerkt. Waar het handelt over hen, die niet in tijd van vrede worden geoefend, zegt het verslag: