De Preanger-bode

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    AVOND - EDITIE EERSTE BLAD. Dit nummer bestaat uit vier bladen. De Volksraad. II.

    Er is een oud spreekwoord, in het oude Rome in zwang en daar en elders bewaarheid : „Terwijl de consuls beraadslaagden, ging Rome verloren." Aan dit spreekwoord moet wel denken al wie de snelle ontwikkeling van het staatkundig leven in Indië met belangstelling gadesloeg en ziet hoe langzaam nog, hoe met horten en stooten vaak de regeering die ontwikkeling meermalen volgde, is plaats van die te leiden. Nog steeds geldt, en zoo ergens dan in een 3and als Indië, dat gouverner prévoir is; nog immer heeft het spreekwoord zijn kracht behouden dat dubbel geeft, wie snel geeft, en waarheid bevatten de woorden, waarmede prof. Van Vollenhoven zijn voor de meergenoemde vergadering der Nederlandsche Juristen Vereeniging uitgebracht prae - advies besluit: dat een hervorming die te laat komt, een mislukte hervorming is. En toch. Omdat— gelijk ook de heeren Kleintjes en Van Vollenhoven toegaven—de Volksraad geen volksvertegenwoordiging is en dit ook niet worden kan, zoolang de leden worden gekozen op de vroeger geschetste wijze of worden benoemd door den Gouverneur Generaal, en zoolang nog geen andere weg is ggvonden om tot de verkiezing van de Volksraadsleden te geraken, schuilt in verhaasting van de uitbreiding der bevoegdheden groot gevaar. De geschiedenis van tal van landen leert dat een parlement niet wordt gemaakt, maar groeit. "Het parlementaire stelsel kan niet worden ingevoerd, omdat het dan niet zou kunnen worden uitgevoerd", om een geestig woord van Van Vollenhoven te citeeren. De Volksraad zal behooren uit te groeien door geleidelijke verkrijging van meer bevoegdheden. De Volksraad zal eerst dan een volksvertegenwoordiging zijn en dus eerst dan recht hebben alle parlementaire rechten te erlangen, als de leden gekozen worden uit en door alle volken die hij heet te vertegenwoordigen, dus uit en door kiezers van allen landaard die, aan zekere eischen van ontwikkeling en welstand voldoende, recht tot kiezen hebben verkregen, na daarop gerechte aanspraak te hebben kunnen doen gelden. Nu zien we immers dat de leden schier allen thuis hooren op Java, enkele op Sumatra, maar dat de andere eilanden, om van de andere volken maar niet eens te spreken, geen vertegenwoordigers vinden. Alvorens deze volken in de gelegenheid te stellen hun stem in de volksvergadering te doen hooren, zal men hen toch eerst de mogelijkheid moeten openen tot medezeggenschap in eigen engen bestuurskring. En vóór men hen die mogelijkheid kan openen, zal men hen toch eerst dienen op te voeden tot een graad van politieke ontwikkeling welke een dergelijk medezeggenschap zou kunnen rechtvaardigen. Vandaar dat we ons kunnen vereenigen met de plannen van den heer Carpentier Alting— —welke, gelijk bekend, in hoofdzaak overeenstemmen met die der regeering en in den Volksraad reeds zijn aangenomen — volgens welke wij moeten komen tot „een practische indeeling van Nederlandsch Indië in autonome gebiedsdeelen, die zooveel mogelijk zullen samenvallen met de scheiding in de verschillende bevolkingsgroepen; dat wij dus krijgen moeten Tapanoelische, Zuid-Sumatraansche, Balineesche en andere gewestelijke raden, waarin ook het Iniandsch element, zoo mogelijk rechtstreeks gekozen door de bevolking, zoo niet dan met getrapte verkiezingen, vertegenwoordigd zal zijn." Uit en door deze raden kunnen dan wederom de volksvertegenwoordigers, de leden van den Volksraad gekozen worden. Dus een normale bouw, beginnende met het leggen der fundamenten; een normaal optrekken van het regeeringsgeBouw derhalve, aanvangende met de plaatsing van den hoeksteen. En niet eerst, als in een schets van Heath Robinson in de Sketch een dak op stutten en daarna de muren en ten slotte de grondslag. Indien men met spoed de hervorming van het begin af aanpakt, behoeft men niet te vreezen voor een hervorming die te laat komt, dus mislukt, daar mislukking veel eer te duchten is, indien men een regeeringsgebouw optrekt dat als een kaartenhuis in elkaar zal storten, als een wonderboom van Jonas, in één nacht opgegroeid, den volgenden dag zou verdorren. Daarom is de arbeid van de commissie tot herziening van de staatsinrichting van Nederlandsch Indië ons sympathiek, het resultaat

    waarvan en de kritiek waarop we weergeven aan de hand van een lezing, door den heer D. G. Stibbe in de vorige maand in Den Haag gehouden. We ontleenen een gedeelte van het verslag aan het Algemeen Handelsblad. De heer Stibbe dan zeide o. a.: „De commissie heeft gezocht naar een weg tot vorming van een vertegenwoordigend lichaam in Indië met grooter bevoegdheden dan de Volksraad thans heeft, zonder al dadelijk te vervallen in parlementarisme. Zij denkt zich daartoe een lichaam, dat met de Indische regeering samen de landsbegrooting en de landswetten vaststelt; in geval van verschil ten aanzien van de begrooting beslist de Nederlandsche wetgevende macht; in geval van verschil ten aanzien van de wetgeving mag de Indische regeering alleen in dringende gevallen een tijdelijke nood-ordonnantie maken. Kan omtrent die tijdelijke nood-ordonnantie binnen drie maanden geen overeenstemming met het vertegenwoordigend lichaam verkregen worden, dan wordt de beslissing van den Nederlandschen wetgever ingeroepen. Spr. legde er den nadruk op, dat in de vertegenwoordigingsquaestie de fundamenteele quaestie bij deze hervormingsquaestie te zoeken is. Hij achtte den door de Commissie voortdurend gebezigden term: „vertegenwoordigend lichaam"gmisleidend, al gebruikt de Commissie die natuurlijk te goeder trouw. Met verschillende argumenten verdedigde spr. de stelling dat het door de Commissie voorgestelde vertegenwoordigend lichaam (de landsstaten) geen echt vertegenwoordigend lichaam is, voornamelijk omdat het overgroote deel der inheenische bevolking (op Java 98 1/2 pCt. en elders van 80 tot 100 pCt.) aan de samenstelling daarvan niet meewerkt. De vraag of de term: vertegenwoordigend lichaam in het rapport der Commissie onjuist moet worden geacht, wenschte spreker te beantwoorden met j a, in den algemeenen zin, dien de Commissie er doorloopend aan hecht; met neen, indien men dien term opvat in zeer beperkten zin, n.1. dat de door de Commissie gedachte Landsstaten een college is, waarin vertegenwoordigd zijn — deels door verkiezing, deels door benoeming — voorname ethische en maatschappelijke groepen uit het Ned.-Indische volkeren-complex. Daarbij komt nog, dat tengevolge van het kiesstelsel, dat de Commissie voorstaat, de bevolking van de enkele groote stedeneen sterk overwegenden invloed in het college zal hebben. Met een algemeen vertegenwoordigend lichaam voor geheel Ned. Indië heeft dit college met zijn zeer beperkt (en onevenredig) vertegenwoordigend karakter, al heel weinig gelijkenis. Daarom is het onlogisch om dit lichaam uitgebreide beslissende regelingsbevoegdheid over heel Indië te geven. Niet alleen onlogisch, maar ook onraadzaam, omdat men de macht over groote volksbelangen niet moet stellen in handen van personen, die door geen band met die belangen verbonden zijn." In den geest der tweede motie zijn, o.i. dus terecht, de voorstellen tot hervorming van het inwendig bestuur van Indië, namelijk van de gebiedsonderdeelen, zoowel de voorstellen van den minister van Koloniën als die van de Herzieningscommissie. „Bij beide staat voorop: de vorming, waar mogelijk, van autonome gebiedsdeelen en medezeggenschap, zooveel mogelijk, van de inheemsche bevolking in de openbare zaak. Daarnaast leggen de ministerieele voorstellen nadruk op administratieve decentralisatie en uitbreiding der bevoegdheden van het Iniandsch bestuur. Hoofdzaak in beide voorstellen is de staatkundige ontwikkeling, zich uitende in de vorming van gemeenschappen met vertegenwoordigende organen, gemeenschappen, die zullen zijn zelfbesturend (mede - besturend) en autonoom: steden, landelijke gebieden, als b.v. het regentschap op Java, en provincies. Deze bestuursvorm kan nog niet overal worden ingevoerd; in de nog achterlijke streken is voor zelfbestuur en autonomie nog geen plaats. Daarom krijgt men een verdeeling der gewesten in de categorieën: provincies met zelfbestuur en autonomie, en gouvernementen, die daarvoor nog niet geschikt zijn. De nieuwe gewesten worden veel grooter dan de tegenwoordige. De provincies krijgen een provincialen raad en gedeputeerden uit dien raad voor het dagelijksch bestuur, tezamen met den gouverneur. Taak en bevoegdheden van dit college zijn geschoeid op den voet van die der overeenkomstige organen in Nederland. In de gouvernementen berust het gewestelijk bestuur geheel bij den gouverneur. In de gewesten worden ingesteld of bestaan gemeenschappen van lager orde met autonomie en medebestuur: steden en—op Java—regentschappen, elders afdeelingen en onder-afdeelingen, die alle zullen worden voorzien voorzoover zij ze niet reeds bezitten—van een vertegenwoordigend orgaan". En daarna, niet daarvoor, een parlement.