VOOR DEN ZONDAG PASCHEN
Lachen moet gij, Magdalene, Dat uw aanschijn helder zij. Alle schulden zijn verdwenen En de dag is fonkelblij. Christus heeft ons vrij gestreden, Hel en dood heeft Hij vertreden, Halleluja, zingen wij. Het wordt Paschen. De Russische christenen waren uitbundig in hun vreugdebetoon. Zij hadden tot gewoonte, elkander op dien dag, ook buiten op straat, waar men elkaar ontmoette, te omhelzen. En daar riepen zij vroolijk: Christus is opgestaan ! Wij kunnen onze Paaschvreugde niet uiten. Wij hebben er nauwelijks vormen voor. Een lied, een kerkgang, maar verder ? In de huiskan »r is het Zondag. Met wat extra bloemen, misschien met feestpudding en met gekleurde eieren. Twee heele dagen wordt er niet gewerkt, en is het bestaan anders dan gewoon. Meer niet. De kunst van het voorjaar vieren is niet moeilijk. Daar kunnen we zelfs wel uitbundig over worden. Of extra hard door gaan werken, om alles in te halen, wat moest blijven liggen. Maar de vreugde over Paschen, daar weten we geen raad mee. Is dat, omdat wij Hollanders zijn, menschen, die hun gevoelens niet zoo gemakkelijk toonen? Is dat een Calvinistische inslag, waardoor wij wat zwaar, naar binnen gekeerd leven ? Misschien is er wel een dubbele oorzaak: Paschen is dood. En de innerlijke vreugd is dood. En daardoor ontbreekt het ons aan leven, echt leven. Wij bestaan wel. Misschien hebben wij een bloeiend bedrijf, een hoop werk, allerlei hobbies, een goed humeur. Maar dat is nog geen garantie voor leven in dien kernachtigen zin, waarin het Nieuwe Testament dat begrip ons onder de neus duwt. Er is evenwel een weg, waardoor wij dat leven deelachtig kunnen worden. Die weg heeft met Paschen te maken en maakt de vreugde wakker. Maar die weg gaat dwars door onze eigen ziel. En die ziel kon daar wel eens een leelijke deuk van krijgen. Want onze hardnekkige eigenliefde komt onder den voet, wordt kapot gemaakt. Daarom kunnen wij elkaar Paschen niet aanpraten. Het belangrijkste is niet, of wij de Opstandingsverhalen voor waar aannemen of er aan twijfelen. Het belangrijkste is: dat wij van harte gelooven. Het gaat er om, of wij deze deuk in onze ziel er voor over hebben. Of wy onze eigen nederlaag aandurven. Misschien zijn wij daar nog lang niet aan toe. Dan moet er nog heel wat gebeuren, voor wij het opgeven. Maar hij, die bijna is vastgeloopen met zijn eigenliefde, hij die bijna „dood" is in geestelijke zin, hij staat vlak bij het leven. Drie dagen liggen er ternauwernood tusschen Kruis en Opstanding. Een kort moment tusschen Dood en Leven. Alleen maar een stille Zaterdag tusschen de diepste smart en de hoogste vreugde. Wij kunnen zelf niet die laatste stap doen. God doet die stap naar ons toe. God overbrugt de kloof. God wekt de doode tot een nieuw leven. In dat nieuwe leven bestaat de eigenliefde nog wel, maar een andere macht heeft de teugels in handen genomen en bepaalt de richting en het doél. Paschen, de opstanding van Christus, is die stap van God naar ons toe. De Opgestane verschijnt niet aan iedereen, niet eens aan Herodes en Pilatus en Kajafas. Hij verschijnt maar aan een enkeling: een vrouw, een discipel, een Emmaus-ganger. Ieder weet, dat het 6 en 7 April Paschen is, maar de
Opstanding van Christus wordt alleen verstaan door de mensch, die zijn eigen nederlaag aandurft. Maar dan verkeert die nederlaag in overwinning. Dan wordt de smart tot vreugde, dan verrijst het leven uit de dood. De steen is weggewenteld. Het Licht dringt binnen in de duisternis. Wij bestaan niet alleen, nee ,wij gaan leven. Want Christus leeft. Christus, die door zijn Liefde schuld en dood overwint. „Lachen moet gij, Magdalene, dat Uw aanschijn helder zij." We worden over deze vreugde niet uitbundig, eerder stil. En arm aan woorden. Zoo gaat het ons, als die vreugde ons de baas wordt. Maar wij geven ons er aan over. Wij worden er door gesterkt. Niet alleen vijf minuten na de preek nog, maar een heel leven lang. Telkens opnieuw. Assen. G. van Dr.