Hant-t r°n' de beroemde Engelsche luite- Oost„ er"ze©. die alleen Afrika van het het naar net westen doortrok en van Warte werelddeel en zijn inboor- VieW Veel kennis heeft, seint dagelijks Stand /r Vau et oorl°gsterrein aan den ».TotdagaTOnd seinde hiJ uit Trinkitat: Vefp ,nu toe was het voornaamste onderde v er gesprekken onder onze officieren Br aaj=: zal de vijand vechten ja of neen. *Avy felS t\ n*e* anBer eenige grond voor ten) * De vjjand is voornemens te vech- za* zo,ider twijfel goed en koppig Se^o gevecht zal vrij zeker een buitenge,, nard betwiste strijd zijn, en er >ore Van Soeakim. LU een nacaaPPen van de genie hebben stejge Paar dagen op dat strand enkele *6e j °£ houten piers gebouwd, die in vQorra H6n' om üet landen van troepen en V *acf gemakkelijk te maken. Ze hebv 8 Paarrt samengesteld, waarop het vee, aOdin U en de zware goederen door de oïHheinf aaQ *and worden gebracht. Een ?ebou^ebadplaatsvoorde troepenis in zee 18 kedekf11 e* Btrand om den inham der zee 6Pen met tenten, terwijl aanhoudend eft tr0en611 atoombarkassen van de oorlogs- Co,1deug nscQepen vaten zoo versch als ge- aüneereerd "water, aan land brengen, v°or£0 , net op kerneis geladen naar de ,I)q ac van het leger wordt gebracht. 2*ch Jatrozen en vloot onderscheiden 8te' ijver-1^8 de mariniers, als de handiger B*6 en best gehumeurde mannen viog een expeditie in vreemde om*eU Birid0U Verüaalt noe de Britsche matro! 6 door iWee dagen uren lang, tot den nek te ia ? branding waadden om goede- te nden en op hun rug soldaten aan 2e + gen. 'afharKQ de gro°tste minachting voor •tolge Egyptenaren, „die te laag en s aren om nun eigen leven te vert>e acu°P nun knieën genade smeekten." .b-ti&j» ser-troepen toonen dezelfde verh et öaenVoor de lafaards> en hier en daar p * W °a- et atrand eenige negers, die n *• £eDaren nabootsen hoe de ren z^c'l voorover wierpen, om tr°Zfin "?eekeQde, terwql de Engelsche 611 tollR« uitschreeuwen van de pret Ojq 7 van het lachen. feilue muiterij en onwil der Egyprtleta' en negers storen de matrozen zich h« arstige kameeldrijvers en dragers ï6tme e 8n met de ellebogen op zijde stoo- 6> on ' gedragende als hun onkwets, 200 °Verwinlijke meerderen! \L6t diet3\negers als Egyptenaren toonen ereldvo °ntzag voor Janmaat, die als aHt iaer°veraar zijn gelijke niet heeft, cd er.8 m eu gevaar WOQ bq kalmen ï, 6 tr0eVrool^ke doodsverachting. en ..Pen toonen eveneens dat ze be, V,llcht tellen. ■| eBon rïfand van Trinkitat is van de e dinvoe het lage hout het binnent,6ll °ndip reili gescbeiden door een moeras, lagune, waardoor hier en daar fct>etroPadeQ loopen. dugSescWn met Paarden, ezels, kameelen, h nioera 6? zware waterzakken moesten ?et doortr!i ioor- Aan den vijand, die k aa„kk_en van de soldaten door het 5 olijke ouwde> bo°d dit een vooru 11 nii orEu.egenbeid voor een aanval, d d zich' 0m hem in e« ca de \1U een breed fr°nt te toonen, kn bevel „^loeke Hooglanders, zonder Va etl uit te schoenen en
Terwijl generaal Graham dus oprukt tegen Osman Digna — wiens Arabieren met vreugde al de schepen en soldaten zien, overtuigd dat Allah die in hun handen heeft gegeven — is Soeakim zoo rustig, niettegenstaande de muiterij der negers, dat admiraal Hewett de matrozen gezonden heeft naar Trinkitat, de stad onder bebescherming laat van oorlogschepen en mn,rinier=j en zelf «aas Trinkitat gegaan ia om voor de reserve en de schepen aldaar te zorgen. Hij heeft het Vork- en Lancasterregiment niet eens laten landen, maar bet enmiddellijk naar Trinkitat gezonden. De admiraal is een zeer kundig officier, die veel ervaring heeft, en het ware belachelijk uit de verte zulk een man te critiseeren; men moet dus slechts hopen dat hij zijn vijand niet te zeer minacht, en dat er geen gevaar bestaat dat Osman Digna zich op Soeakim zal werpen in plaats van de Britten bij Trinkitat te staan.
De oorlog in Afrika.. "Algemeen Handelsblad". Amsterdam, 29-02-1884, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 04-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010973499:mpeg21:p001
"Algemeen Handelsblad". Amsterdam, 29-02-1884, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 04-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010973499:mpeg21:p001
De Fransche ministers waren eergisteren vergaderd. De heer Waldeck-Rousseau deelde de rapporten mede, welke met betrekking tot de werkstakingen in het departement du Nord van de prefecten waren ingekomen. Uit die stukken blijkt dat de mijnwerkers, die weigeren te arbeiden, zich binnen de perken der wet houden en nergens onlusten verwekken. De ministerraad heeft besloten den heer Deffès, prefect van het departement der Pyrenées-Orientales, naar Andorre te zenden, ter vervanging van den onderprefect, ten einde door een gedelegeerde van hoogeren rang vertegenwoordigd te zijn bij de onderhandelingen tusschen den Franschen en den Spaanschen viguier over de oplossing van het conflict in de kleine republiek.
In strijd met hetgeen ten vorigen jare geschiedde, worden heden de gewone en de buitengewone begrooting bij de Fransche Kamer van Afgevaardigden ingediend. Eerstbedoeld budget toont een cijfer van uitgaven aan 15 millioen hooger dan voor 1884, nl. fr. 3,400,000,000, tegen fr. 3,250,000,000. De buitengewone begrooting bedraagt 203 millioen, tegen 275 in 1884.
De St. James Gazette meldt, dat sir Evelyn Baring, vertegenwoordiger van Engeland te Cairo, een plan tot hervorming van het financiewezen voor Egypte heeft gemaakt, volgens hetwelk jaarlijks meer dan een millioen pond sterling in de schatkist zou vloeien. Hij wil nL de vreemdelingen aan een belasting onderwerpen, die £ 250,000 's jaars zal opbrengen. Voorts wenscht hij over te gaan tot bezuinigingen ten bedrage van £ 800,000. De getalsterkte des legers en de aan Engeland te betalen rente op de Suezkanaal-obligatiën moeten verminderd worden. Ook is de organisatie der afdeelingen van algemeen beheer is voor vereenvoudiging vatbaar. De suppletoire credieten, welke bij het Britsche parlement, ter voorziening in de kosten der militaire operatiën in Egypte, aangevraagd zullen worden,bedragen: £ 370,000 voor het leger en £ 147,000 voor de vloot. De Hongaarsche minister-president, Koloman Tisza, heeft, als minister van binnenlandscheizaken,aan de gemeentebesturen in het koninkrijk een circulaire gezonden, waarin hij zegt: „Uit verscheidene oorden des lands wordt bericht, dat onlangs opnieuw bewegingen zich hebben geopenbaard, welke stoornis van den rassen- en godsdienstvrede ten doel hebben, en dat die bewegingen, deels uit gewetenloosheid en domheid, deels ten gevolge van strafbare nalatigheid, voortgezet worden. Dit maakt het mij tot plicnt, met verwijzing naar de verordeningen van 1882 en 1883, de gemeenteraden dringend aan te schreven, elke gisting tegen een kerkgenootschap of tegen een ras in de kiem te smoren, op de opruiers en rustverstoorders, zonder aanzien des persoons, de wet met de meeste gestrengheid toe te passen, en de bevoegde overheid te gelasten op die woelingen een scherp wakend oog te houden. Ik verwacht, dat de gemeenteraden mij onverwijld bericht zullen zenden van hetgeen hun is bekend geworden en van de maatregelen welke door hen genomen zijn."
Met betrekking tot het nog steeds niet opgehelderde voorval op den spoorweg bij Corneto verneemt men, dat de koning van Italië op een telegram van den burgemeester van Taryn, die hem met zijne redding geluk wenschte, het volgende geantwoord heeft: „Het is nog volstrekt niet bewezen, dat de bedoeling van den dader het plegen van een aanslag op hot leven des konings is geweest."
De Köln. Zeit. meldde dat de heer Sargeat, gezant der Vereenigde Staten van Noord-Amerika te Berlijn, teruggeroepen en hem een andere hooge diplomatieke post toevertrouwd zal worden. Het Berl. Tagoblatt verzekert, dat in de gewoonlijk goed ingelichte diplomatieke kringen niets hiervan bekend is, en voegt er bij, dat die terugroeping onwaarschijnlijk geacht kan worden, daar den gezant geen verwijt hoegenaamd treffen kan. Het Lasker-adres had hij, overeenkomstig den hem door zijne regeering gegeven last, aan den minister van buitenlandsche zaken ter hand gesteld, en wat het verslag over do varkensvleesch-quaestie betreft, dit was' zeo als men weet, niet door den heer Sargent, maar door den Amerikaanschen consul in Saksen opgesteld, en als gewoon „consulair verslag", door de legatie naar Washington gezonden, alwaar het werd openbaar gemaakt. Hierbij komt nog dat, zooals uit Londen aan laatstgenoemd blad is medegedeeld, de regeering der Unie het gedrag van hare vertegenwoordiger in Berlijn goedkeurt, en dat het Huis" van vertegenwoordigers te Washington de wijze, waarop hij door de ministerieele pers in Duitschland bejegend is geworden, misschien tot een punt van onderzoek zal maken.
Men weet dat Castelar en Canovas del Castillo toevallig (?) elkander ontmoet hebben, samen een eindje opwandelden en een gesprok vesrden van nog al lan
De Londensche correspondent van den Manchester Courrier schrijft, dat de emir van Afghanistan op Engelands voorstel tot hernieuwing van zijn met deze mogendheid gesloten tractaat geantwoord heeft met een aanvrage om nieuwe subsidiën, en er bijgevoegd dat, indien zij hem geweigerd mochten worden, hij tot het besluit zou kunnen komen bij een andere mogendheid aanzoek om bescherming te doen. Dezelfde berichtgever meldt dat de Russische regeering besloten heeft generaal Ignatieff tot burgerlijk landvoogd van Turkestan te benoemen. Het nieuwe grondgebied der Tekke-Turcomanen (Merw) zal tot deze provincie behooren.
OVERZICHT VAN ’T BUITENL. NIEUWS.. "Algemeen Handelsblad". Amsterdam, 29-02-1884, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 04-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010973499:mpeg21:p001
§ 1. Door de aanbieding van dit wetsontwerp vol. doet de Eegeering aan hare toezegging, opgenomen in § 11 der memorie van antwoord omtrent het wetsontwerp nopens voorloopige versterking van 's Bijks middelen. Bij de zekerheid, dat de middelen, alihans in de eerstvolgende jaren versterking behoeven, zullen de in gemelde paragraaf aangekondigde belastingontwerpen geleidelijk door de Regeering ingediend worden. In de eerste plaats komt eene belasting in aanmerking, die den onvermijdelijk geworden hoogeren druk althans voot een deel gelijkelijk over de ingezetenen verdeeli naar een maatstaf geldend voor allen. Niet bestemd om bovenmatig te worden opgevoerd, kan de klassenbelasting toch eene gewichtige plaats in het kader der belastingen innemen en vooral in eene leemte voorzien, wanneer buitengewone gebeurtenissen de verwachtingen omtrent de opbrengst der overige middelen teleurstellen en ondanks beperking van de uitgaven een tekort tusschen de gewone ontvangsten en uitgaven dreigt. Indien van den anderen kant bedachtzame zuinigheid in alle takken van bestuur rechtstreeks tot vermindering van het percentage dezer belasting kan leiden, dan is daarin een prikkel gelegen tst verhoogde belangstelling in de publieke zaak. Van die zijde bezien, behoort de klassenbelasting eene eerste plaats te bekleeden in elke hervorming van het belastingstelsel, en die welke de Begeering wenßcht voor te stellen te eerder, omdat herstel van het financieel evenwicht onder de gegeven omstandigheden meer dan gewone zorgen eischt. § 2. Maatstaf der belasting. Reeds om redenen van practischen aard dienen al de inkomsten der ingezetenen als maatstaf van heffing in aanmerking te komen. Uitzondering van enkele bestanddeelen van het inkomen zou toch eene zelfs voor de belastingschuldigen moeilijke splitsing vordeTen en de controle tot verzekering der belasting, welk stelsel van heffing ook worde aangenomen, uitermate verzwakken, zoo niet illusoir maken. Bovendien rijst bij uitzondering van enkele bronnen van inkomsten een ander bezwaar ten opzichte van den aftrek van rente van opgenomen kapitalen, die veelal niet met elk der bestanddeelen van het inkomen samenhangen, maar tot het vermogen in zjjn geheel betrekking hebben. De moeielgkheden, de daaruit voortvloeien, zijn bij de behandeling van de ontwerpen der rentebelasting zoo duidelijk in het licht gesteld, dat het onnoodig schijnt om ze hier opnieuw in herinnering te brengen. Worden de inkomsten uit handel en nijverheid uit beroepen en beirijven onder het inkomen begrepen, dan rijst de vraag: of het patenrecht moet worden opgeheven of behouden. Gelijk bekend is, werd die vraag in Pruisen in laatstgemelden zin beslist. De vöewerbesteuer", die in aard met de patentbelasting overeenstemt, doch waarin de beroepen van tabel 2 evenmin als de vrije beroepen van tabel 14 begrepen zijn, is daar aangemerkt als een op het bedrijf rustende reeene last, terwijl de plassen" en de «klassefizirte Einkommensteuer" tot nu toe enkel van physieke personen geheven zïjn, zonder te letten op de aanslagen die zij wegens hunne bedreven in eerstgemelde belasting te betalen hebben. Die opvatting van den aard van het patentrecht heeft hier te lande weinig bijval gevonden. In het wetsvoorstel van den minister Blussé van 1871 tot heffing van eene algemeene inkomstenbelasting stond zelfs afschaffing van de patentbelasting op den voorgrond. Inderdaad, is het patentrecht, welke ook zgn oorsprong zij, niet anders dan eene heffing naar vermoedelijke of werkelijke inkomsten uit nrjverheidsondernemingen en beroepen of bedrijven, eene belasting die althans in menig geval niet op den consument 'kan verhaald worden. In het af aonderlijk daartoe betrekkelijk ontwerp is dan ook afschaffing van het patentrecht voorgesteld, behoudens eene enkele uitzondering, waarop bij dat ontwerp nader zal worden teruggekomen.
Ook de inkomßteD uit grondbezit zijn, gelijk reed 3 in boyenaaD gehaalde memorie van antwoord werd opgemerkt, onder den algemeenen maatstaf van het inkomen begrepen. Daarbij heeft de regeering op den voorgrond geateld, dat het massaal bedrag der grondbelasting ook na voltooÜDg der herziening van de belastbare opbrengst, naar haar gevoelen, niet moet worden verhoogd, dan tegen evenredige vermindering van het mutatierecht. Na die verklaring omtrent het bedrag der grondbelasting, zal het wel geene nadere toelichting behoeven, dat deze zakelijke last, die sedert jaren geene verandering heeft ondergaan, ook niet in mindering ia gebracht by den aanslag in de thans voorgestelde belasting, met zuiver persoonlijk karakter, waarbij het inkomen enkel als maatstaf van draagkracht in aangenomen. inkomsten uit arbeid en die uit kapitaal; welke de zekerste bron van bestaan is, zal veelal van de omstandigheden afhankelijk zjjn, maar als maatstaf van draagkracht genomen, staan inkomsten uit arbeid en die uit kapitaal gelijk. Beide kunnen door verschillende oorzaken verminderen, maar dan houdt de vermindering van aanslag daarmede gelgken tred. Er is Blechts een punt van verschil, namelijk dit, dat het inkomen in het eene geval door den dood verloren gaat, en het andere niet, waaruit volgt dat de erfgenamen van den aangeslagene in het eerste geval aanspraak hebben op vermindering over het jaar van het overlijden. Daarmede is echter in art. 25 van het ontwerp rekening gehouden. § 3. Aanslagsregding, Verplichting van de ingezetenen om hetzij hunne inkomsten, hetzij de klasse waarin zij die rangschikken op te geven, bij eene partieele inkomsten-belasting onvermijdelijk, was ook in het ontwerp der algemeene belasting op de inkomsten van den minister Blussé opgenomen. Dergelijke opgaaf op zich zelve niet voldoende, vordert tevens de bevoegdheid aan de zijde van den fiscus om hare juistheid zoo noodig nader te doen bevestigen, of met ter zjjdestelling van de aangifte zelve het bedrag van het inkomen te schatten. Welke waarde aan dat middel tot regeling en verrekening der belasting gehecht worde, die vorm is zoowel om de opgaaf zelve als om de bevestiging die er mede gepaard gaat, bezwarend voor de ingezetenea, niet enkel omdat sommigen ongaarne opgaaf doen van hetgeen gewoonlijk voor derden wordt verborgen, maar ook omdat het begrip van inkomen, hoe ook omschreven, menigeen niet helder voor den geest staat. Zelfs vonden de bezwaren die tegen de ontwerpen der effecten- en rentebelasting zijn aangevoerd, voor een niet gering deel hun oorsprong ia die eigen aangifte en in hare onvermijdelijke gevolgen. Naar het gevoelen van den ondergeteekende heeft de wetgever met een en ander rekening te houden. jjet ware toch verkeerd om den last, die uit vermeerdering van belastingdruk voor de ingezetenen voortvloeit, nog te verzwaren door den vorm van heffing, althans indien aan den fiscus andere, voor de ingezttenen minder bezwarende, middelen ten dienste staan. En dat is hier het geval. Om het aanleggen van eene lijst van belastingschuldigen meti gemakkelrjk te maken, vergt het ontwerp van de ingezetenen enkel eene eenvoudige opgaaf, doch laat hen vrjj om met of zonder aanwijzing van klasse de inlichtingen mede te deelen, die zjj voor de toepassing der wet wenschen te geven. De administratie, bijgestaan door het college van zetters, waarvan vermeerdering van het aantal leden in een afzonderlijk ontwerp is voorgesteld, rangschikt de ingezetenen in eene der opengestelde klassen, voor zoover zij hun inkomen niet beneden het bepaalde minimum achten.
Bij die rangschikking kan natuurlijk gelet worden op de inlichtingen door den belastingschuldige gegeven, zonder dat de commissie van aanslag echter gebonden is aan de klasse die in de aangifte mocht genoemd zijn. Daarentegen is do aangeslagene bevoegd om voor hen die zijn aanslag bepaalden, aan ta toonen dat hij te hoog is geklasseerd en nieuwe regeling van zijn aanslag te vragen, onverminderd zgn recht om zijne bezwaren, aan welke bg de nieuwe regeling niet is te gemoet gekomen, schriftelgk en monde" liDg in persoon of bij gemachtigde aan Gedeputeerde Staten voor te dragen en ter beslissing te onderwerpen. Ter bevordering van de juistheid der aanslagen, ook dan wanneer zij in appel zijn vastgesteld, is openbaarheid van de kohieren gewe'nscht. Het ontwerp bepaalt daarom, dat een af schrift van het kohier gedurende het geheele jaar op de secretarie der gemeente ter inzage wordt nedergelegd, terwijl eventueele wijzigingen in de aanslagen ook in het afschrift worden overgenomen. § 4. Vrijstelling en ■vermindering. Beschouwt men het inkomen als maatstaf van draagvermogen, dan is er in 't afgetrokkene geen reden om dien maatstaf niet ten volle te doen gelden ook voor inkomens van gering bedrag, en allen op denzelfden voet te doen bijdragen; maar zg' die een klein inkomen met hun arbeid verdienen, kunnen niet hun aanslag in eens of in twee of drie gedeelten voldoen. Zelfs is 't hun soms moeilijk om voor de aanzuivering van elk der tien wettelijke termijnen tijdig de noodige gelden af te zonderen. Bik dier tien betalingen gaat voor hen veelal gepaard met verlies van tijd, die, aan den arbeid besteed, hun inkomen zou hebben vermeerderd. Een betrekkelijk geringe aanslag veroorzaakt onder die omstandigheden een grooter geldelijk verlies dan zijn bedrag. Een ander stelsel van invordering, waarbij de belasting aan de woningen dier belastingschuldigen werd ingezameld, zou aan dat bezwaar tegemoet kunnen komen, maar tevens een ander doen ontstaan van niet minder gewicht, namelijk dit, dat de kosten van invordering het bedrag van den aanslag zouden te boren gaan.
Die redenen van practischen aaid pleiten er in het algemeen voor, om inkomens van gering bedrag geheel vrij te stellen, maar tevens om de onmiddellijk daarop velgende eenigszins te verminderen. Worden deze toch voor hun nominaal bedrag uitgetrokken, dan dreigt het gevaar, dat een aanslag oninbaar wordt, die, tot lager bedrag in het kohier opgenomed, zou betaald zjjn. Reeds de opsomming van die redenen is voldoende, om in het licht te stellen dat vrijstelling en vermindering eenigszins willekeurig zijn, In plaats van economische gronden is daarvoor niets anders aan te voeren, dan de verwachting dat van den eenen kant geene belasting wordt prijs gegeven die zou kunnen ingevorderd worden, en van den anderen kant dat hetgeen in het kohier is uitgetrokken ook zal worden betaald. Daarom beginnen de klassen ia het ontwerp eerst bij ƒ6OO, terwjjl de zeven eerste klassen met afnemend percentage verminderd zgn. Uit het ontwerp nemen wij de volgende artikelen over: Art. 3. De grondslag der belasting is het jaarljjksch zuiver inkomen van de ingezetenen, bepaald naar dat van het vorige jaar met inachtneming van alle omstandigheden, die daarin gedurende het jaar der heffing wijziging kunnen brengen en tijdens de aanslagsregeling bekend zijn. Indien de ingezetene gedurende het vorig jaar geen eigen inkomen heeft gehad, of indien hij toen buitenslands woonde en zijn inkomen over dat jaar niet bekend is, dan strekt het vermoedelijk zuiver inkomen van het jaar der heffing tot grondslag. Art. i. Door zuiver inkomen wordt verstaan al hetgeen in geld, in vruchten of door eigen gebruik genoten wordt: uit onroerende goederen; uit roerende goederen; uit arbeid, beroepen, bedrijven of ondernemingen van welken aard ook; uit ambten, bedieningen, betrekkingen, wachtgelden, pensioenen, lijfrenten of andere periodieke uitkeeringen; uit eiken anderen hoofde voor het leven of tijdelijk, onverschillig op welke wijze, krachtens welk recht en onder bsTramiag; alles onder aftrek van de korten, die gewoonlijk als lasten van de vruchtea worden aangemerkt.
Het gezamenlijk inkomen wordt verminderd met renten van schulden en met periodieke uitkeeringen, waartoe hg die het inkomen geniet, krachtens titel of krachtens de wet verplicht is. Art. 5. Het inkomen der vrouw die niet van tafel en bed is gescheiden, wordt geacht één geheel uit te maken met dat van den man.
De man is naar dat geheele inkomen belastingschuldig. Bij ontstentenis van den man is de vrouw in diens plaats belastingschuldig. Minderjarige cD onder curateele gestelde ingezetenen zün naar hun inkomen belastingschuldig in den persoon van hunne wettelijke vertegenwoordigers. Wonen dezen buitenslands, dan worden zij voor de toepassing dezer wet als ingezetenen aangemerkt en geacht gevestigd te zjjn in de woning waar de minderjarige of onder curateele gestelde of indien er twee of meer ziJD, waar de oudste hunner verblijft. Art. 6. Ingezetenen, gezamenlijk wonende en tot hetzelfde zuiver inkomen gerechtigd, zonder dat ieders aandeel bepaald is, zgn, behoudens verhaal, hoofdelijk naar dat inkomen belastingschuldig.
Art. 10, De ingezetenen worden, naar mate van hun zuiver jaarlrjksch inkomen in een der volgende klassen gerangschikt: (Dan volgen 26 klassen, beginnende bij ƒ 600 tot ƒ 800, opklimmende tot kl. 3 met ƒ 200; kl. 4 ƒ 1200—ƒ 1500; kl. 5—7 telkens ƒ EOO meer, kl. 8-11 telkens ƒ 1000 meer; kl. 12—13 ƒ 1500 meer, kl. 14-15 ƒ 3000 meer; kl. 16 / 16,000— ƒ20,000 en tot k 1.26 ƒ 80,000—ƒ 90,000; voor elke ƒ 10,030 boven ƒ 90,000 zuiver inkomen eene klasse hoogere Ter bepaling van het belastbaar inkomen wordt voor elke klasse het laagste cijfer genomen Da vermindering voor de Iste klasse met 70 pCt., de 2de klasse met 60 pCt., de 3de klasse met 50 pCt., de 4de klasse met 40 pCt., de sde klasse met 30 pCt., de 6de klasse met 20 pCt., de 7de klasse (ƒ2500- 3000) met 10 pCt. Indien het jaarlrjksch zuiver inkomen geacht wordt minder dan ƒ6OO te bedragen, wordt geen belastbaar inkomen uitgetrokken. Art. 2. Hij aan wiens woning een (aangifte) biljet is uitgereikt, moet de daarop gestelde vragen Btellig en zonder eenig voorbehoud beantwoorden en onderteekeßen, enz. Art. 17. Het college van zetters en de Rijksambtenaar rangschikken de ingezetenen, de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen en onder curateele gestelden in hunne hoedanigheid afzonderlijk, in eene der klassen in deze wet bepaald, voor zoover zij hun jaarlrjksch inkomen niet minder dan zeshonderd gulden achten. Brj die rangschikking kan gelet worden op de inlichtingen, in de aangifte gegeven. Art. 18. Indien het college van zetters en de Rijksambtenaar omtrent de toepassing van het vorig artikel van gevoelen verschillen, beslist de betrokken provinciale inspecteur der directe belastingen. Art. 19. Het bedrag der belasting naar elke honderd gulden belastbaar inkomen te heften, wordt jaarlijks bij afzonderlijke wet bepaald. Art. 21. Hij die zich met zijn aanslag bezwaard acht kan binnen drie maanden na den dag der afkondiging van het kohier nieuwe regeling, of zoo hij meent dat zijn inkomen minder dan zeshonderd gulden bedraagt, veixietigiDg van zijn aanslag vragen. De aanvraag wordt ingediend bij den ontvanger, die daarvoor een gedagteekend ontvangbewcs geeft. Art. 22. De ingediende aanvragen worden door den ontvanger of door den controleur der directe belastingen in eene vergadering van het college van zetters in behandeling gebracht. Hg die de aanvraag indiende, wordt door den Rijksambtenaar, die tot de aanslagsregeling medewerkt, uitgenoodigd, om hetzij schriftelijk, hetzij in persoon of bij gemachtigde in de vergadering mondeling aan te toonen, dat hij onjuist is geklasseerd.
Dag en uur voor het verhoor bepaald, worden in de uitnoodiging vermeld. Zij wordt minstens drie dagen voor den dag der vergadering aan den belanghebbende tegen gedagteekend ontvangbewijs uitgereikt of bij aangeteekenden brief gezonden.
Om in de vergadering toegelaten te worden, most do. gemachtigde aan den rijksambtenaar een schriftelijke volmacht van zijn lastgever overleggen. Art. 23. Indien de cpgeroepene nitt schriftelijk of in persoon of bij gemachtigde mondeling, ten genoegen van de zetters en den Rijksambtenaar aantoont of doet aantoonen, dat hg onjuist is geklasseerd, wordt zijn aanslag behouden. Anders wordt hg opnieuw in een der in deze wet bepaalde klassen gerangschikt, zoo niet zijn zuiver inkomen geacht wordt minder dan/680 te bedragen. Bij verschil van gevoelen tusschen het college van zetters en den Rijksambtenaar beslist de provinciale ißßpecteur der directe belastingen. De uitslag der behandeling van de aanvraag, hetzij de klasse is behouden of gewijzigd, wordt door den Rijksambtenaar tegen gedagteekend ontvangbewijs of brj aangeteekenden brief medegedeeld aan hem die de aanvraag indiende. Indiea de aanslag lager is dan de oorspronkelijke, wordt het verschil ambtßhalTe teruggegeven. Art. 24. Hij, die zich met de nadere regeling van zijn aanslag om welke reden ook bezwaard acht, kan binnen dertig dagen na dagteekening van het ontvangbewrjs of van de aanteekening, bedoeld in het vorig artikel, een bezwaarschrift indienen bjj Gedep. Staten der provincie, waar de aanslag ten kohiere ia gebracht. De uitspraak op het bezwaarschrift is afwijzend, indien de aangeslagene niet schriftelijk of mondeling ten genoegen van Gedeputeerde Staten aantoont of doet aantoonen óf dat hij onjuist is geklasseerd óf dat hg in het geheel niet of over een korter üjdvak moest aangeslagen zijn. Art. 28. Met eena geldboete van vrjf-en-twintig gulden wordt gestraft: hfl aan wiens woning een biljet is uitgereikt en. die niet tijdig aangifte heeft gedaan; hjj die de vragen in het aangiftbiljet gesteld, niet juist of niet volledig heeft beantwoord, onverschillig of de aangifte door hem zelf of met schriftelijke vergunning van den ontvanger door een ander is onderteekend. Art. 33. De ontvangers der registratie en successierechten zijn verplicht aan de Bgksambtenaren, wien de regeling van de aanslagen der klassenbelasting is opgedragen, op hun verzoek de inlichtingen te geven, die omtrent het inkomen der ingezetenen uit het archief van het kantoor der registratie en successie blijken. De gemeentebesturen zjjn gehouden aan die Eijksambtenaren inzage te geven van de kohieren der plaatselijke belasting naar de inkomsten.
KLASSENBELASTING. De memorie van toelichting luidt aldus:. "Algemeen Handelsblad". Amsterdam, 29-02-1884, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 04-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010973499:mpeg21:p001
De strijd, dien wij met Tijd en Standaard hebben gevoerd over het grondwettig standpunt van partijen, die hun godsdienstige opvattingen als hoogste staatswet proclameeren, heeft den heer mr. J. A. Levy de pen doen opvatten om in De Amsterdammer een artikel te schrijven, getiteld: Versleten wapentuig. De heer Levy treedt natuurlijk als onze bondgenoot op tegenover de bewering van beide bladen als zou „de liberale staatsopvatting met godsdienst en godsbegrip hebben gebroken". „Gelukkig", zegt hij, „mag men vertrouwen, dat ons volk, sober en nuchter van aard, niet stormenderhand zich zal laten verschalken door een schrikbeeld, tegen één oogenblik nadenkens niet bestand."
Hij haalt, ter kenschetsiEg van het standpunt, waarop de Grondwet zich geplaatst heeft, een brief aan door Thorbecke aan Groen Van Prinsterer gericht en door dezen openbaar gemaakt. In dien brief komt het volgende voor:
ii Op het hoogst gewichtig punt, dat gij vervolgens +!•? ai.TaVn urans*, h*'' 'v ■***■ uinveng net houd, ook met den vertrouwden vriend, te doen neerkomen. Het godsdienstige pleegt zoo nauw verbonden, te zijn met het individueele, dat verschil van denkwijs de gevoeligste Bnaren treft, en misverstand schier onvermijdelijk wordt. Het heilige voor een ander is mij heilig in zijne ziel. Ik zou echter gelooven aan onze verbintenis te kort te doen, bijaldien ik er nu niet een woord van zeide. In de stelling, dat Christen. dom het historisch middelpunt en de grondslag onzer wetenschap is, verschillen wij vermoedelijk minfer dan gij denkt. De zwarigheid begint bij de toepassing. De cirkel van dat middelpunt is oneindig wijd, en de grondßlag is niet het gebouw. Dat recht, geschiedverklaring, het schcone en da wetenschap niet strijden mogen met de godsdienstige waarheid, is mijne innige overtuiging Maar volgt hieruit, dat wij de staatkunde onmiddellijk nevens den Bijbel behooren te plaatsen t Door godsdienst hebben wij het besef eener onmiddellijke persoonlijke betrekking tot de Godheid. Maar wij verdringen en verwarren, in mijn oog, het een door het ander, wanneer wij dit gevoel nis de eenige en naaste bron beschouwen van al het overige, dat wö van godsdienst onderscheiden. Ik meen ook niet, dat God zich alléén in de Openbaring heeft geopenbaard. Het komt mij voor, dat de onderscheidene kringen van menßchelijke kennis en bedrijf allen door de ééne goddelijke waarheid worden ingesloten. Doch ieder van die kringen heeft zijne bijzondere wetten, die onze werkzaamheid binnen denzelven regelen, en die niet dan door eene lange opklimming van tusschenleden, samenhangen met den hoogsten wil. Dien hoogsten wil, naar deszelfs stellige openbaring, rechtstreeks te maken tot het constitutief en organiseerend beginsel van den Staat, schijnt mij derhalve een Balto mortale daar ik voor terugwijk. Ik ken eerst den Staat uit zrjae eigene, insgelijks door God gegeven, regels, eer ik derzelver hoogere gronden, door alle verschillende instanties, terug leide tot hetgeen over alles is". (Brieven van Thorbecke, Amsterdam 1873, blz. 64). De heer Levy eindigt zijn opstel als volgt: //Laat Rome en Genève vrij spel hebben, het eerste wat zij behoeven, — zijn liberale gendarmes om hen te beletten handgemeen te worden. Nog eens, kan de moderne Staat, op volksgemeensekap berustend, in de leer gaan bij hen, wier eigen wezen geloofshaat, wier eigen streven geloofsvervolging is.' //Dat men den nietßwaardigen hoon, als zou in dien Staat met den godsdienst zijn afgedaan, vierkant onder de oogen zie. Dadelijk zal blijken, hoe het streven der onderling veideelde kerkelijke partijen is, langs dien weg den Staat, ieder voor zich, te haren behoeve en voor hare doeleinden te gebruiken, neen, te misbruiken. Omdat de moderne Staat weigert bij eene Kerk, welke ook, zich te doen inlijven, daarom wordt hem Godloochening verweten. Omdat de moderne Staat door geeneilei Kerk zich de wet laat stellen, daarom beschuldigt men hem met het Godsbegrip te hebben opgeruimd. Omdat het moderne Staatsrecht andere kenbronnen dan theologische handboeken heeft, daarom bedient men zich van de aantijging als zou het van elk wijsgeerig aansluitingspunt met het Absolute zijn ontbloot. Deze ellendige begripsverwarring zou de weerleg ging niet waard zijn, ware de behendige goocheltoer er niet op berekend indruk te maken. w»lk ken eerst den Staat uit zijne eigene regels" zegt Thorbecke en honderd malen heeft hij gelijk. Ware de Staatswetenschap onderdeel der gedgeleerdheid, waar bleef haar rang als wetenschap.' Ben fraai huishouden voorwaar, wanneer ieder theologiae doctor met een vermeend beroep op Bijbeltekst of Syllabusvermaning den Staat het pad aanwijzen wilde! De zelfstandigheid, de autonomie van het Staatsrecht, gelijk van ieder recht, is niet dan na eeuwen - heugenden, heftigen Btrijd in school en leven verworven. Vrucht van dien kamp is de moderne Staatsbeschouwing, die wij kennen en eeren. Zoomin als ooit een stroom naar zijn oorsprong terugkeert, zoomin zal het den kerkdijken partijen gelukken ongedaan te maken, wat gansch eene eerbiedwekkende reeks van denkers heeft gewrocht. In dezen onzen modernen Rechtsstaat is plaats voor iedere eerlijke overtuiging, juist omdat hij, die Staat, den godsdienst als individueele gemoedszaak opvat, behandelt en eerbiedigt. Buimte is daarin tot zelfs voor het theologisch krakeel, waarmede de Prediiera ophouden elkander en anderen te st- V waar de o! zoo liefelijke en verd- ' digers van onverschillig welke or^^^AM. jks Diners van ent 80 Cents.
meten de hand naar den Staatsteugel uit te strekben, daar voegt een onbewimpeld en krachtig grondwattelgk verzet. Verzet, met het woord zoo 't kan, en zoolang het kan; met de daad, zoo het moet."
GRONDWETTIGE PARTIJEN.. "Algemeen Handelsblad". Amsterdam, 29-02-1884, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 04-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010973499:mpeg21:p001