De h-ziekte Valt het meest op in 't dialect, maar wordt bij 't gebruiken der Ned. taal ook meermalen geconstateerd. — De h is voor vele Groningers een lastige letter. Als aanvangsletter wordt ze dikwijls niet gehoord, en omgekeerd, woorden, die met een klinker beginnen, worden met een duidelijke h er voor uitgesproken. Niet alleen echter in onze stad en ons gewest, ook in vele andere streken van ons land lijdt men aan dit euvel. Ja zelfs in België, Frankrijk, Engeland, Noorwegen, Italië kent men deze h ziekte. De diagnose van deze ziekte is nog niet vast gesteld. Wel heeft een geleerde eens ernstig betoogd, dat er verband bestaat tusschen de gesteldheid van het bodemwater en de h-kwaal De menschen weten zelf heel goed, dat ze de h als aanvangsletter van een woord graag weglaten, trachten daarom dan ook vaak de gemaakte fout direct eenigszins te herstellen. Bij 't opgeven van een naam, die met een H begint, b.v. Huizenga, zegt de betrokken persoon Uizenga, maar voegt er ter verduidelijking terstond bij, dat de eerste letter een H. is. In deze zoo goed gemeende verduidelijking is hij echter weer zeer onduidelijk Een bekende veearts hier ter stede wist dit zoo smakelijk te illustreeren. Hij was bij een melkboer en moest op een lijst den naam van den boer invullen. Hij vroeg: „En hoe is nou eigenlijk je naam?" „Mien noam? Bndrik Oaven-goa ja, — baide zooveul ans mit 'n groode oa" Woorden, die met een klinker beginnen, ontvangen een h cadeau. Men zegt heel gewoon: ~'k Aar Haalbert ien gain joar'n zain, keer'l is hold worr'n". „Te Lalp ien Hebbenstroade, kwam bai brug, n alle hoploop: 'n hautohongeluk". De h ziekte verschafte in alheurleelijkheid reeds velen een vroolijk oogenblikje. Een boer kwam 's avonds in het dorp, in het Gemeentehuis, en vertelde, dat bij 't inhalen van den oogst zn oude trouwe knecht Harm den arm had gebroken . Hij deed dit zoo: „Nait best bic ons man!" „Nee, wat ten?" „Och man, ons Aarm et bic 't menn'n aen haarm brook'n". Een der aanwezigen antwoordde zuchtend: „Haaxrne aarm". Een Hollander, die hier eenigen tijd vertoefde, vroegen we, wat hij 't mooiste vond in onze stad. Hij bedacht zich geen oogenblik, direct klonk het: „De Groninger hengelaar!" „De Groninger hengelaar, zegt u? Hoe bedoelt u dat dan toch?" „Wel, weet u dan niet, hoe hij uit visschen gaat? Nee? Met 'n engel op de schouder en 'n engel onder de arm" „En hoe komt hij thuis? Met beide engels in de hand!.... Een Groninger conducteur — een pientere vent — deed dienst op den trein Den Haag— Amsterdam. De trein arriveerde te Haarlem, stopte Onze conducteur riep: „Aarlem! Aarlem!" Een der reizigers viel het weglaten der h direct op en riep: „Conducteur! U verliest iets!" De conducteur, zoon opmerking blijkbaar wel gewoon, antwoordde kortweg: „Niks meneer, 'k vind het wel weer!" De trein kwam te Amsterdam en de conducteur riep: „Hamsterdam! Hamsterdam!" De reiziger zei lachend: „Ja, hij heeft het alweer, die vent!" — Bij een dokter ergens in 't Oldambt kwam een zekere Ailko B. op 't spreekuur. Dokter vroeg zn naam. „Hailko 8., dokter!" De geneesheer vond den voornaam ietwat vreemd en verzocht den heer B. den naam te willen spellen. „Spell'n? Net ans op schoule? Zeker wel dokter: Ha—hi—helle—ka—ho: Hailko!" Wat de dokter heeft opgeschreven, vermeldt de historie niet. Voor een halve eeuw ongeveer waarschuwde een onderwijzer, ergens in de Veenkoloniën, de leerlingen bij 't lezen de h niet weg te laten. Hij zei- „Je moet de a dr voor zetten oor, anders oort dat zoo raar nè".— Een gelukkige jonge vader vervoegde zich aan 't Gemeentehuis van zeker dorp in Ooste-lijk Groningen: ~'n kind aangeven". De ambtenaar vroeg: „Hoe heet de kleine?" „Hannoa! zooveul ans mit 'n boa." De ambtenaar wist niet, of nu Anna dan wel Hanina bedoeld werd en verzocht den vader den naam maar even te spellen. „Hoa-hennehenn-e-hoa: Hannoa!" — Niet lang geleden troffen we in een autobus een praatziek oud moedertje. Ze had een veelbewogen leven achter den rug, zooals ze vertelde. Ze was op reis naar een van haar voorkinderen. „Ai is honnewieaer ion Olland, dicht bic Haalkmaar." „Zoo — is hij daar hoofd eener school?" „Joa — nee —, kiek ai is gain oofd, moar et oofdhakte wel. Ai is, zol 't reekn'n, bonnerwiezer mit oofdhakte " De post te Winschoten — zoo vertelt Ter Laan — kreeg eens 'n brief te bezorgen, waarop alleen vermeld stond: „Aian Mr. S. te Winschoten." De besteller las het adres: „Aan Mr. Hesse" en duwde den brief bij Mr. Hesse in de bus, waar hij ook werkelijk terecht was. Bekend is de illustratie der h-zdekte in de omgeving van Zwolle. Een rentenier wiens vrouw verbazend zindelijk was, zette zekeren dag, toen er veel sneeuw lag, een bordje met dit opschrift voor zn gevel: „NTbet vis hm mar der homeen et ek hm". Memand begreep het, totdat het renteniertje zn bedoeling verduidelijkte. Hij wilde, omdat het zoo vuil op straat was, alleen maar zeggen: „Niet het huis in, maar dr om heen, het hek in", dus zooi-ets als „boodschappen zijdeur".. De h-ziekte h-slordigheid, is een leelijk gebrek. Kinderen, die behept zijn met de h-kwaal moeten er telkens en telkens weer, in huis en school, op gewezen worden. Alleen dan is het af te leeren. —
Collectie
Permanente URL
- Gebruiksvoorwaarden
-
Auteursrecht onbekend. Het zou kunnen dat nog auteursrecht rust op (delen van) dit object.
- Krantentitel
- Nieuwsblad van het Noorden
- Datum
- 30-06-1934
- Editie
- Dag
- Uitgever
- Nieuwenhuis
- Plaats van uitgave
- Groningen
- PPN
- 833013246
- Verschijningsperiode
- 1888-2002
- Periode gedigitaliseerd
- 1888-1994
- Verspreidingsgebied
- Regionaal/lokaal
- Herkomst
- KB C 65
- Nummer
- 152
- Jaargang
- 47
- Toegevoegd in Delpher
- 20-11-2013
Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.
Dit kan twee oorzaken hebben:
Probeer het later opnieuw.
van HEINDE en VER. Dialect-babbeltje
DE ONDANKBARE DIEF
— 't Is toch wat te zeggen! sprak mevrouw Bakker hoofdschuddend, terwijl ze haar kopje thee neerzette. En 'n griezelig idee, hier zoo vlak in de buurt! En den tweeden inbreker hebben ze nog niet kunnen pakken? — Neen, antwoordde de heer des huizes, het Nieuwsblad weder opnemende. Hier staat het: een der inbrekers werd na een worsteling met den rechercheur, waarbij deze van zijn revolver gebruik moest maken, overmand. Zijn medeplichtige slaagde er echter in te ontkomen, vermoedelijk over de daken. — Stel je voor, dat zoon gemeene kerel bij je op zolder komt! zei mevrouw rillend. En dat hij dan ineens voor je bed staat, met een revolver in zn hand! Wat zou jij doen? — Ik? zei Bakker vaag. Ja.... dat weet ik niet Politie opbellen.... — Ja, hij zal je aan zien komen! sprak mevrouw snibbig. Ik denk, dat je gauw je hoofd onder de dekens zou stoppen en dat je 't verder maar aan mij zou overlaten. — Nou, we zullen er wel geen last van hebben, antwoordde de heer Bakker ontwijkend. Waarom zou hij nou juist bij ons komen? — Weet ik 't? zei mevrouw. Maar in ieder geval mag je vanavond wel gaan kijken of alle ramen boven goed toe zijn, voordat we gaan slapen. Je kunt nooit weten. De heer Bakker knikte. Hij behoorde tot de mannen, die alles goed vinden, wat hun vrouw goed vindt. En daar de dienstbode dien avond en nacht vrij had om haar zieke moeder op te passen, viel hem vanzelf de taak toe om de ronde te doen vóór den nacht — nu vooral, nu er den vorigen nacht in de straat vlak achter de hunne een poging tot inbraak had plaats gehad en een van de daders nog op vrije voeten rond liep.... misschien wel over de daken. Zoo geschiedde het, dat hij 's avonds tegen tien uur met een ouderwetschen blaker in de hand de zoldertrap opsteeg, om zich er van te overtuigen dat de zolderramen toe waren. Hij was geheel alleen thuis, want mevrouw was met haar zuster naar de bioscoop. Hij had er de voorkeur aan gegeven om thuis te blijven, omdat hij nog wat te schrijven had. Eenzaam op den zolder, als een Napoleon op Sint Helena, met een wapperende kaars in de hand en zonder eenig geluid in het heele huis, voelde de heer Bakker zich toch wat onrustig. Hij was geen held, en hier op den stillen zolder, met alleen wat waschgoed op de droogstokken, dat spookachtig bewoog, terwijl de verste hoeken in een geheimzinnig duister bleven gehuld, had hij liever iemand bij zich gehad. Hij slofte naar den voorkant. Gelukkig, dat raam was toe. Toen naar de achterzijde. Het dansen van zijn kaars zeide hem reeds, dat dit raam open stond. Zeker voor de wasch. dacht hij. Zou het den vorigen nacht ook open hebben gestaan? Als de kerel daar nu toch eens door naar binnen was gekomen! — Onzin! zei hij hardop, om zich wat moed in te spreken; en met een klets smeet hij het raam dicht. Toen aanvaardde hij den terugtocht, op zijn teenen, alsof hij bang was voor zijn eigen geluid. Eensklaps bleef hij stofstijf staan. Had er niet iets gekraakt, ginds in dien hoek? Bakker voelde zijn handen klam worden en er kwam een akelige beving in zijn beenen, die hij tevergeefs trachtte te onderdrukken. Seconden verliepen, die hem eeuwigheden toeschenen. Daar nu kraakte het beslist. Net of er iemand bewoog. — Muizen! zei Bakker halfluid, zijn droge lippen met de punt van de tong bevochtigend. Zeker muizen! Maar zijn beenen trilden nog heviger, en hij wist, dat hij niet weg zou kunnen loopen, al wilde hij het nog zoo graag. Stilte dan een bijna onmerkbaar geschuifel. Bakkers hart scheen door zijn keel naar boven te willen komen. Toen zei hij met een schorre stem, zoo schor, dat het niet meer dan een fluistering was: — Is daar iemand? Eerst hoorde hij niets; maar toen viel eensklaps met onheilspellend gerommel een stapel beukeblokken om en een man verrees uit den donkeren hoek, waar de brandstoffen werden bewaard. Bakker zag het wit van zijn oogen, toen de kerel naar hem keek. Hij kreeg een gevoel, of hij plotseling was veranderd in een standbeeld. Als in een droom zag hij den indringer op zich af komen en hij bereidde zich gelaten voor op het ergste, toen de man met langzame schreden, behoedzaam, stijf door het lange ineengedoken zitten, schichtig om zich heen ziende, op hem afkwam. In de hand hield hij een flink stuk hout. Op twee pas afstand van Bakker bleef hij staan, zijn oogen knipperend tegen het licht. Zoo staarden zij elkaar wederkeerig eenige oogenblikken aan, tot de onbekende eindelijk den mond opende en half vragend zei: — Nou? Dit eenvoudige woordje bracht weer leven in Bakker, die weinig minder had verwacht dan neergeveld te zullen worden. Maar hij wist niets anders te antwoorden dan hetzelfde vragende: — Nou? In de oogen van den anderen man verscheen iets als stille verbazing; toen trok er een bijna onmerkbare grijns over zijn gezicht. Met den duim naar de trap wijzende, vroeg hij fluisterend: — Kan ik er uit? Zonder aarzelen knikte Bakker. — Ga dan maar vooruit, zei de ander. Is de zaak veilig? Weer knikte Bakker, en zonder een woord meer gingen ze sluipend de trap af. Beneden in de gang brandde het electrische licht en de deur van de huiskamer stond open. De vertrouwde omgeving gaf Bakker iets van zijn evenwicht terug. — Hier af, zei hij, de tweede trap af naar beneden wijzende, terwijl hij zich tegen den muur drukte om zijn ongewenschten gast te laten passeeren. De straatdeur kun je zoo open doen. De ander deed een stap vooruit, aarzelde, keek de kamer in. Bakker volgde zijn blik met eenige ongerustheid. Wat zou de kerel in zijn schild voeren? — Zeg, meester, fluisterde de inbreker. Is daar geen mensch? — Neen, schudde Bakker. Maar ze kunnen zóó thuis komen. Ga nu maar gauw! — Ik stik van de dorst, zei de indringer. Is dr niks onder de kurk? — Kouwe thee, antwoordde Bakker. — Anders niks? vroeg de inbreker. Nou, geef dan maar op. — Kom maar even binnen, noodde Bakker, die nu de trilling in zijn beenen kwijt was. Gek, dat hij geen angst meer voelde voor zoon gemeenen inbreker. Zonder verdere plichtplegingen liep de dief op de theetafel toe en zette den theepot aan zijn mond. Terwijl hij de koude thee naar binnen goot nam Bakker hem eens goed op. 't Was niet de sinistere verschijning, die hij zich van een inbreker had voorgesteld. Het was een kleine, bleeke, magere man, en zijn schuwe oogen, die, terwijl hij dronk, onderzoekend door de kamer zwierven, hadden niets van het gebiedende van de filmbandieten, die je dadelijk neerschieten aLs je niet gehoorzaamt aan hun „Hands up!" Bakker voelde zich beslist ontgoocheld en hij kon niet nalaten om nieuwsgierig te vragen: — Jij bent zeker die die man (gemeene inbreker had hij eerst willen zeggen, maar dat hield hij bijtijds in) van vannacht, aan den overkant? — Gaat jou dat an? viel de ander ineens fel uit. Maar toen liet hij er onverschillig op volgen: Nou, ja dan, als je 't wil weten. Staat 't al in de krant? Bakker knikte bevestigend. — En me maat? Geschaakt zeker? — Ge wat?! vroeg Bakker verbaasd. — Geschaakt, herhaalde de ander. Gesnapt, liet hij er verduidelijkend op volgen. — Ja, dien hebben ze, zei Bakker. — 'n Sof voor 'm, merkte de bezoeker op. Ja, da's de risico van 'n kraakie, voegde hij er filosofisch bij. Voordat Bakker een gepast antwoord had weten te vinden, ging hij voort: — Nou, meester, dan gaan ik maar. En bedankt. — Niet te danken, zei Bakker luchtig, alsof hij iederen dag niet-gesnapte inbrekers hielp ontkomen aan den wrekenden arm der gerechtigheid. Hij vertoonde geen spoor van angst meer. — Wil je soms een rookertje? liet hij er in een plotselinge opwelling van barmhartigheid op volgen. Want die armzalige inbreker, die den heelen nacht op zolder achter een hoop brandhout had gezeten, zonder eten of drinken, wekte zijn medelijden op. — Wat graag! zei de ander, terwijl hij het zakje sigaren in zijn binnenzak liet verdwijnen. Nou, tabé dan! — Ik ga met je mee tot aan de deur, sprak Bakker, die eensklaps bedacht had dat zijn nieuwe winterjas beneden onbeheerd aan den kapstok hing. Samen daalden ze de trap af en Bakker opende behoedzaam de voordeur. — Vooruit nu, fluisterde hij. Er is geen mensch in de straat. — Meester, fluisterde de inbreker — en Bakker meende iets als ontroering in de ruwe stem te ontdekken — meester, je bent 'n kei van 'n vent om me niet aö de politie te verrajen! Geef me je Jat. En voordat Bakker wist, of hij moest weigeren of niet, had zijn zonderlinge gast zijn hand al beetgepakt en schudde die uit alle macht. Toen wrong hij zich door de half geopende deur en verdween snel in het duister van den avond. Werktuigelij k sloot Bakker de deur en ging naar boven. Hij blies de kaars uit, die nog op tafel stond te branden en liet zich op den divan vallen. ■ Toen werd hem het komische van het geval eensklaps te machtig. Hij, de oer-degelijke, de oer-fatsoenlijke Bakker, die nooit met justitie of politie of misdadigers te maken had gehad, hij had nu meegeholpen om een inbreker te laten ontsnappen! Hij was in zekeren zin zijn medeplichtige geworden. Hij had hem laten opsteken! En de kerel, misschien een berucht lid van het dieven- en inbrekersgilde, al zag hij er op het oog ongevaarlijk uit, die kerel had hem, hèm, den oer-degelijken, den oer-fatsoenlijken Bakker, de hand gedrukt en er zoo in geifcnepen, dat hij het nog voelde. 't Was gek! 't Was krankzinnig. Maar bovenal was 't vermakelijk; om je 'n ongeluk te lachen! En Bakker liet zich achterover vallen en lachte, lachte, tot de tranen hem over de wangen rolden en zijn horlogeketting er van op zijn buik danste; maar toen hij den ketting weer aan zijn horloge wilde vast maken, verstomde plotseling zijn lach, want toen zag hij dat de ondankbare inbreker hem zijn gouden klokje had gekost. J. H. DELAHAYE.
'T IS NIET OM MIJN VELLEKE....
Ongelijke huwelijken, vooral indien het leeftijdsverschil groot is, vallen niet in den smaak bij het volk, dat er doorgaans zijn spottende en vaak rake opmerkingen over ten beste weet te geven. Trouwt een jonge
vrouw met een ouden man of omgekeerd, dan hoort men veelal „'t Is niet om het velletje, Maar wel om het gelletje". De oorsprong van dit gezegde wordt wel toegeschreven aan een gebeurtenis uit den tijd van de Waterlandsche vrijbuiters, die onder hun dappere en onverschrokken aanvoerders als Kleinzorg en 't Oude Hoen den Spanjaarden vaak veel last bezorgden. De Watergeuzen waren onverzoenlijke vijanden van de Spaansche tyrannie en streden een strijd op leven en dood. Erg kieskeurig in de middelen waren zij daarbij niet, ook niet, waar het gold zich de noodige contanten te verschaffen, om den strijd te kunnen voortzetten. Zoo gebeurde het, dat kapitein Kleinzorg en zijn vrijbuiters zich op een nacht in alle stilte met een roeijacht naar Assendelft begaven, om een rijke dame weg te voeren en daarna een hoog losgeld te eischen. Zij was een eerzame, oude vrijster en heette Fijtje. De vrijbuiters meerden hun schuitje aan den wal en slopen naar de woning van het niets vermoedende Fijtje. Zij forceerden de deur, zochten de slaapkamer op, namen haar voorzichtig uit het bed en droegen haar weg. Zij werd natuurlijk wakker en begon om hulp te roepen, waarbij ze zich trachtte te verweren. Maar tegen de overmacht van de sterke vrijbuiters beteekende haar zwakke kracht niet veel. Door al dat lawaai waren de buren uit hun slaap gewekt, die al spoedig bemerkten, wat er aan de hand was. De vrijbuiters waren nog maar goed en wel met hun bult in het roeijacht, of van alle kanten kwamen de Assendelfers opzetten. Zij achtervolgden de snel wegroeiende Watergeuzen met schuitjes, maar hun voorsprong was te groot en aan inhalen viel niet te denken. Uit de schans werd nog op de ontvoerders geschoten, maar ook dat baatte niet. Ondertusschen lag Fijtje in het roeijacht te kermen en zuchtte af en toe: „'t Is niet om mijn velleke, maar om mijn gelleke", Kleinzorg kreeg medelijden met de arme
stumperd, die bibberde van de kou, en dekte haar toe met zijn mantel. De Watergeuzen waren in hun nopjes, dat de ontvoering zoo goed gelukt was en berekenden al, hoeveel losgeld zij de rijke vrijster wel konden laten betalen.
VIJF CENTEN
„Loesje is Moeders flinke hulp". Hoe dikwijls had Moeder het al gezegd? En dan voelde Loesje zich trotsch en groot en probeerde nog meer haar best te doen. „Groot? Hoe oud is ze? Nog niet eens vijf?" werd er soms wel eens minachtend gezegd. Maar dan lachte Moeder zoon lachje van „wij weten 't samen wel, hè Loes" en Loesje's verdrietig gevoel trok weg. Zoo had Moeder ook gelachen toen ze uit het groote huis met den mooien bloementuin weg moesten, 't Verhuizen naar een heel wat kleiner huisje met een piepklein tuintje had heel veel drukte gegeven. Maar wanneer iemand zei: „Vind je 't niet vreeselijk?" dan zei Moeder weer met haar lachje, waar toch haar oogen niet bij meelachten: „erg? We hebben elkaar gelukkig nog". Wat dat precies beteekende wist Loes niet zoo goed, maar „elkaar" was Vader, Moeder en Loes. „Als wij allemaal bij elkaar zijn, zijn we gelukkig", zei Moeder en Loesje vond haar dan dubbel zoo lief. En ze wilde Moeders flinke meid zijn en helpen zooveel ze kon. Aan al die dingen dacht ze toen ze op weg naar juffrouw Bos was. Moeder had haar geen briefje mee gegeven. O nee, Loesje wist best dat ze een pond rijst en een rol beschuit moest hebben. „En vijf centen terug", had Moeder gezegd. Vijf centen was alle vingers van één hand, dat wist Loesje best. Als juf Greetje nu maar hielp. Juf Greetje was veel aardiger, die gaf soms wel twee snoepjes toe. Juffrouw Bos niet, als die heel gul was kreeg je één balletje en soms nog met een stuk er af. Maar de winkel was van juffrouw Bos dus stond die ook bijna altijd te kijken of alles wel goed ging.
„Hè, nu was Juf Greetje net bezig. Loesje treuzelde wat maar de oude stem drong scherper aan: „wat moet je dan hebben kind?" „Een pond rijst en beschuiten", zei Loesje en ze dacht dat 't gezicht van juffrouw Bos net alsof je bij een harlekijntje aan een touw trok bewoog. Trok je dan had je een lachje, maar meteen liet je 't touwtje weer los en 't gezicht stond strak. Bij Juf Greet bleef die lach altijd, die had geen harlekijntouwtjes van binnen, want haar oogen lachten ook altijd mee „Ga, nu maar", deed juffrouw Bos verwonderd. Zou 't kind zoo brutaal durven zijn om op een balletje te wachten bij zoon snertboodschap? Alsof je er kapitalen op verdiende. „Nee ik moet vijf centen alstublieft", zei Loesje met een kleur. Ze kreeg maar één geldstuk terug en ze wilde toch Moeders flinke meid zijn en de boodschap niet verkeerd doen. Vijf centen. „Ja, Moeder heeft 't gezegd", stotterde Loes verlegen, omdat ieder zoo naar haar keek. „Ik zal daar al mijn kleine geld weggeven, een stuivertje is net zoo goed", bromde juffrouw Bos. Greet zag den tweestrijd. Ze bewonderde Loesje altijd, omdat zoon klein ding al zoo flink was en toch altijd beleefd en lief. Greet droomde zich later ook zoon meisje; juffrouw Bos, die niets meer van het leven droomde, vond kinderen lastig. Kijk nu maar weer eens. „Och ruil 't toch om", mompelde Greet en voor de brommerige juffrouw 't verhinderen kon lagen er vijf centen in Loesje's mandje, 't stuivertje weer in de geldla. „Zoon suffie, zeg", gichelden twee meisj es voor de toonbank. Loesje's lip trilde. Ze had wel weg willen kruipen en hoopte dat Moeder vooreerst hier geen boodschap meer had. Toen ze 't étalageraam voorbij schoof, stootte Greet „per ongeluk" tegen een blik, waardoor Loesje wel op moest kijken en vriendelijk lachend knikte ze 't kind toe. 't Beef lipje hield stil, de oogen lachten weer terug. En door Greet's kleine hulp kon Loesje als „Moeders flinke meid" thuis komen, zonder traantjes om de bespotting. NELLIE WESSELING. (Nadruk verboden).
HET ZWIJN AAN DE GALG.
De zeeoorlogen in de 17e eeuw hebben aan onzen handel en aan onze visscherij veel afbreuk gedaan. Vooral de haringvisscherij had er onder te lijden. De Nederlandsche gewesten hadden het omstreeks het midden dier eeuw tot grooten bloei gebracht. De Nederlandsche schippers waren de vrachtvaarders van Europa en de visscherij bracht schatten in het land. Al direct in het begin van den eersten Engelschen oorlog — van 1652 tot 1654 — kreeg onze haringvisscherij met moeilijkheden te kampen en dreigde die goudbron op te drogen. Het was op den 22sten Juli van het jaar 1652, dat onze haringvloot werd aangevallen door den admiraal Blake. De vloot werd weliswaar beschermd door twaalf oorlogsschepen, maar in minder dan geen tijd had de vijand er elf van genomen en bovendien een buit van dertig haringbuizen in de wacht De kapitein van het twaalfde schip had de anderen lafhartig in den steek gelaten en was er stiekum van door gegaan, toen de strijd op zijn hevigst was. Lafhartigheid w»9 wel het allerlaatste, wat men van een krijgsman mocht verwachten. En daarom werd de kapitein bij zijn thuiskomst gevangen genomen en tot de galg veroordeeld. Er schijnen evenwel omstandigheden geweest te zijn, welke er toe noopten dez« allerzwaarste straf niet ten uitvoer te brengen. De kapitein kreeg althans gratie en v> zijn plaats werd een zwijn opgeknoopt. Daar door behield hij het leven, maar veel vreugo zal hem dat niet hebben gebaard, want vou een krijgsman was er nauwelijks vernedere der straf te bedenken. .