'Ik heb vele gesprekken met mijnwerkers gevoerd om erachter te komen, wat de waarheid over de mijnen is. Ik heb gemerkt, dat er geen echte waarheid, geen echt midden, is. Ik heb mijnwerkers ontmoet, die geen goed woord voor de mijnen over hebben.
Ik ben er iets minder, maar niet veel minder, tegenkomen, die geen slecht woord over de mijnen wilden horen. Die mij onmiddellijk zeiden: u gaat toch zeker niet over dat en dat schrijven, want zo was het niet. Mijn vader is negentig. Kom maar luisteren, die piept niet.
Hij is gezond als wat en heeft zo en zolang in de mijn gewerkt. Ik ben met dat probleem blijven, worstelen. Hoe krijg je die waarheid, die voor elke mijnwerker een andere is, op papier. Die artistieke worsteling van Pierre Heijboer is terug te vinden in zijn jongste boek 'Het Zwarte Leven' met als ondertitel: Geschiedenis van onze mijnen en mijnwerkers. Het boek wordt donderdag in Bijsmans in Heerlen gepresenteerd.
Pierre Heijboer heeft als journalist vijf boeken geschreven. Boeken met een historische ondergrond. Zijn belangstelling is daarbij vooral uitgegaan naar Indonesië. Titels van zijn hand zijn 'Klamboes, klewang en klapperbomen', Kampioenen en krukken in kniebroek', 'De politionele acties' en 'Reizen door een onvoltooid verleden. Daaraan is nu 'Het Zwarte Leven. toegevoegd. In zijn boeken zet Pierre Heijboer zich nadrukkelijk met de nostalgie en met de geschiedenis uiteen. Aanvankelijk had de Hoensbroekse auteur/journalist weinig trek om een boek over de mijnen te schrijven. 'Er is al zoveel over de mijnen geschreven. Maar aangezien het nu twintig jaar geleden is, dat Joop den Uyl in Heerlen de sluiting van de mijnen aankondigde besloot hij toch het karwei aan te pakken.
Hij bestudeerde alles wat er tot nu toe was gepubliceerd. Boeken, tijdschriften, artikelen. Slechts in twee boeken vond hij de volledige geschiedenis van de mijnen. Dat was het standaardwerk van ir. C. Raedts en het boek van Bert Breij 'De mijnen gingen open, de mijnen gingen dicht.
Pierre Heijboer heeft dit boek vanuit zijn eigen verleden kunnen schrijven. Hij is op 7 mei 1937 in Hoensbroek, in de schaduw van de Emma geboren. Zijn vader was mijnwerker. Het gezin telde vier kinderen, die opgroeiden onder de druk: studeren of anders de koel in. Pierre Heijboer is gaan studeren om de koel te kunnen ontlopen. Hij is journalist geworden, eerst bij het Parool, daarna bij de Volkskrant, waar hij nu nog actief is als redacteur voor Limburg en aangrenzend buitenland. 'Ik heb een emotionele binding met de mijnen, die natuurlijk met jeugdsentiment te maken heeft, leder kind dat in de schaduw van een schacht is opgegroeid heeft dat. Daarom wilde ik ook dat boek schrijven en tegelijk om te voorkomen dat een ander het ging schrijven.
Pierre Heijboer heeft zichzelf een duidelijke vraag gesteld: wat is nu de waarheid over die mijnen? In 'Het Zwarte Leven' probeert hij daarop zonder succes een antwoord te vinden^Hij heeft alle bestaande literatuur bestudeerd. Hij heeft met vele oud-mijnwerkers gesproken en desondanks moet hij de waarheid in het midden laten oftewel concluderen, dat er vele waarheden zijn: goede en slechte.
'Als je de literatuur over de mijn bekijkt dan zijn er duidelijk een aantal fasen. Je had eerst de literatuur toen de mijnen nog bestonden. Dat waren boeken die geschreven werden in opdracht van de mijndirecties. Dat waren niet direct lofliederen op de mijn, maar ver daarvanaf stonden ze ook niet. Na de mijnsluitingen is het een hele tijd stil geweest. En toen is er een moment gekomen, waarop een aantal dingen, die vroeger nooit verteld werden, die de mensen hebben opgekropt, zijn opengebarsten en naar buiten zijn gekomen. Er kwam een periode, waarin alleen het negatieve over de mijnen werd belicht. Dat was heel logisch. Nu begint zon beetje de fase van de nostalgie. De neiging ontstaat om het hele slechte te vergeten en het mooie in herinnering te houden. Zijn belangrijkste conclusie is dan ook: zoals je het beleefd hebt zo was het. Als je het als iets goeds beleefd hebt dan is het ook nu nog iets goeds.
'Je vindt het goede en het slechte, het mooie en het lelijke in het boek. Als je het bijvoorbeeld hebt over opzichters, over de bullebakken, die de meesten van die opzichters waren, probeer ik aan te geven waarom die opzichters zon bullebakken waren. Dat ze naar mijn idee dezelfde slachtoffers van het systeem waren als de mijnwerkers. Het systeem niet de mensen was de veroorzaker. Daarom heeft ondergronds de negentiende eeuw in Limburg tot 31 december 1974 kunnen duren. De verhoudingen' in het systeem waren negentiende eeuws. Niet de directies, niet de opzichters waren slecht. Het systeem was slecht. Achteraf mag je dat best aan de vakbondsmensen van toen verwijten. Ze hebben voor goede lonen gezorgd, maar ze hebben het akkoord niet uit de wereld kunnen helpen. Als ze meer pit in hun lijf hadden gehad. Misschien Dat het akkoord, de basis van alles, bijvoorbeeld na de oorlog terug kon komen, kan men als een ernstig verwijt aanrekenen.
ledereen hing vast aan het touwtje van het akkoord. De sleper, de houwer, de hele mikmak ging gebukt onder dat akkoord. Ze moesten sakkeren naar beneden en likken naar boven, want binnen dat systeem kreeg iedereen ze op zijn donder als het akkoord niet bereikt werd. Daarom was de solidariteit onder de mijnwerkers ook zo groot. Die solidariteit onder bijzondere werkomstandigheden leverde ook bijzondere mensen op. Als de vakbonden niet zo verdeeld waren geweest, als de katholieke bond niet zo vastgezeten had aan katholieke idee'en over hoe de maatschappij in elkaar moest steken dan was het akkoord wellicht wel uit de wereld geholpen.
Het is niet eens de schuld van mannen als Dohmen. Het is de schuld van die mensen, die hen opgevoed hebben. Die hen op school geleerd hebben, dat gehoorzaamheid een deugd is en hen vergeten hebben te vertellen dat er ook wel eens momenten zijn dat gehoorzaamheid een ondeugd is. Zo neem je natuurlijk een stuk schuld van die goedwillende mensen weg, maar van die katholieke vakbondsmensen kunnen je achteraf zeggen: het waren goede kerels, maar ze hadden carbid moeten lusten.
Al schrijvend en al pratend met de mensen heeft Pierre Heijboer steeds meer respect voor de mijnwerker gekregen. Er zijn mensen geweest, die hem gruwelijke waarheden hebben verteld. Hij heeft die verhalen naar zijn opvatting ten gunste van de algemene waarheid moeten afzwakken. 'Een man heeft me verteld, dat hij zijn broer aan silicose heeft zien doodgaan. Vloekend en knarsetandend zit je dat verhaal op te schrijven. Als je het opschrijft zoals die man het je vertelt dan weet je dat je overtrekt. Ik heb het afgezwakt in het boek opgenomen. Natuurlijk heb ik wel beschreven dat het een godvergeten schandaal is hoe de behandeling van de stoflongen zich in de mijnen heeft afgespeeld. Dat krijgt echter geen nadruk.
Behalve minder prettige herinneringen heeft Pierre Heijboer ook bewust gezocht naar de plezierige kanten van de mijn. 'De mijnwerkersrondes bijvoorbeeld. De mijnen organiseerden de hele maatschappij. Ook de sport en de muziek. Een tevreden mens, die op zondag zijn sport en zijn hobby kan bedrijven, is natuurlijk een betere werknemer dan iemand die zich thuis zit te vervelen.
'Je kunt nu mensen als Poels en Reuzelaers verwijten dat ze dictators waren, maar toen was er geen kritiekj omdat ze het naar beste vermogen deden. Ze hebben ook heel veel voor de mensen gedaan. Het wordt een stuk kwalijker als je bekijkt hoe na de oorlog mensen geprest werden om in de katholieke bond te blijven. Dan kom je namelijk in situaties, waarin ook priesters van toen intussen beter hadden kunnen weten. In mijn boek komt Den Uyl als een realist naar Heerlen. Als de man die de juiste beslissing heeft genomen. Dat er geen goed vervolg op is gekomen is niet zijn schuld. Hij had er wellicht wat beter op kunnen toezien. Het besluit is te snel uitgevoerd. Sneller dan ook het plan van Den Uyl was. Men heeft niet onderkend dat je door de mijnen omlaag te halen ook het hele maatschappelijke stelsel, dat door die mijnen in stand werd gehouden, omlaag haalde. De gemeente en de overheden konden daar niet goed genoeg op inspringen. Ook is pas te laat herkend dat de mijnwerkers, die vijftien jaar of langer onderin gezeten hadden, een apart slag van werknemer was geworden. Een werknemer, die moeilijk in een andere werkkring inpasbaar was. Bovendien werd te kritiekloos alles aan bedrijven binnengehaald.
'Het Zwarte Leven' is geen wetenschappelijke verhandeling over wie of wat er goed of fout is geweest. Het is een menselijke en positieve benadering van een gigantische brok geschiedenis, die in het jaar 3150 voor Christus met de vuursteenmijnen in Rijckholt zijn aanvang neemt en die Pierre Heijboer laat eindigen bij het slopen van de Ittersontoren, een koeltoren van de Emma in 1984. Het is pure journalistiek. Over de sanering van de mijngebieden wordt met niets dan met respect gesproken.
Mijn mening, die ik over de mijnen had voordat ik met het boek begon is door het schrijven niet veranderd. Mijn mening als kind is altijd geweest, dat ik de omgeving waarin ik opgroeide geen leuke omgeving vond. Ik heb altijd een emotionele hekel gehad aan dat zwarte dat die mijn uitstraalde, het stof, die huizenmassa, de grauwe gebouwen. Ik ben blij dat Limburg daarvan af is. Toen ik aan het boek begon wist ik niet hoe hard die wereld en het werk in werkelijkheid geweest is. Ik wist niet, dat eigenlijk alleen heel gezonde en sterke mensen het konden overleven zonder er in hun later leven last van te hebben. Dat weet ik nu wel.
• Pierre Heijboer: Ik heb nooit durven dromen, dat ik nog eens ooit samen met Poels op een foto zou staan.