11. — Maar niet enkel in het drijven — waarvan wij de techniek in ons vorig nummer uitvoerig beschreven —,
. behoort de edelsmid ervaren te zijn. 'j moet, zooals Mgr Van Heukelum indertijd ede, architect, beeldhouwer en schilder tevens ezen. De lijnen en verhoudingen van zijn werk ereischen het gevoel voor evenmaat en construc,e van den bouwmeester. Met subtiel beelderk wordt de beteekenis en de waarde van zijn etk verhoogd, terwijl zijn kleurgevoel harmonie an toon aan zijn arbeid moet verleenen. Door ele vernuftige middelen moet hij er op bedacht lni om de lastige ondeugden van zijn materie in en zoo vele deugden .om te scheppen. Met de sfaveernaald doet hij de effenheid der glimmende akten verdwijnen, of hij toovert de soliede stof m tot een doorzichtig kunstwerk. Hij siert haar met riamenten, en door het aanbrengen van veelkleuiig mail of fonkelende edelsteenen op de juiste plek oet hij de schittering weten te temperen of te Vertioogen.
Uit hetgeen wij tot dusver schreven blijkt ge-oegzaam, hoevele en velerlei technieken in de werkplaats van den edelsmid hare toepassing vinden. Door onze expresselijk voor het „Geïll. Zondagsblad" genomen photografieën en nadere toelichting hopen wij onze lezers te laten deelnemen aan het bezoek, dat wij op een zomerschen namiddag brachten aan de vermaarde Utrechtsche werkplaatsen.
Het huis van den heer Brom is een der vele oude en ruime patriciërshuizen aan de Drift. Van buiten kenmerkt het zich door zijn breeden, doch bijzonder eenvoudigen gevel. Binnentredend komt men, na een paar kleine lokalen doorloopen te hebben, in de zaal van oude kunstwerken, welke men in dit nummer vindt afgebeeld. De bekende criticus Paul Berr heeft in den .Figaro" de „érudition archéoligique" geroemd naar aanleiding der wetken van den Utrechtsehen meester, te Parijs in 1900 tentoongesteld. De verzameling oude kunstvoorwerpen, die wij in de hier afgebeelde zaal bijeen zien, is een inderdaad uitgelezene, door onvermoeid zoeken gedurende vele jaren met kennis en onderscheiding bijeengebracht. Er zijn prachtige specimens van borduurwerk, afkomstig uit den Dom van Sevilla, ivoor- en kantwerk uit Italië, marmerwerk uit de Fransche School, zoowel als schilderijen en houtsnijwerk van Vlaamsche herkomst. Onder deze laatste munten uit een Sint Franciscus, Jan van Eyck toegeschreven, en een Calvarieberg van den Brusselschen beeldsnijder Pasquale Borrman. Aan deze groote zaal van oude kunst, tot studie en besprekingen dienende, grenst een hoog verlicht serre-vertrek, waar rondom ontwerp-teekeningen en boetseersels zijn geplaatst. Wij merken onder vele op de teekeningen van het Sacramentsaltaar en de Communiebank in de St. Bavokathedraal te Haarlem, het hoofdaltaar der St. Martinuskerk te Groningen, den staf, gemaakt voor den Aartsbisschop van Utrecht, den kelk en de kandelaars voor de huiskapel van den bisschop van Haarlem, boetseersël van een fraai ridderfiguur in zilver, uitgevoerd voor H. M. de Koningin, en wij zien tevens aan de schetsen van een diamanten dames-collier, een ambtsketen voor den 's Oravenhaagschen burgemeester en een huldeblijk der spoorwegambtenaren aan hun Directeur-Generaal, dat ook werken van niet-kerkelijken aard hier met toewijding en welslagen zijn gewrocht. Maar wij mogen ons niet lang ophouden en treden de toonkamers binnen, waarvan er een is afgebeeld. Daar schitteren allerlei werken in edel en onedel metaal ons tegemoet, en vragen haast stuk voor stuk de aandacht. Een groot doopvontdeksel op den achtergrond is bestemd voor de kerk te Delden, een gotische monstrans, subtiel en rijk bewerkt, staat gereed ter verzending naar het Gesticht „de Voorzienigheid" te Amsterdam, en van een rij miskelken, fraai en vol verscheidenheid, zijn er eenige bestemd voor nog te wijden priesters in de seminariën. Ook de eenvoudigste voorwerpen zijn mooi door hun vorm en verhouding, die enkel goeden smaak van hun ontwerper en geenszins bijzondere kosten eischen. Hoe al deze werken tot stand komen, zullen wij aanstonds zien nu'wij de — achter de reeds beschreven zalen gelegen — werkplaatsen gaan bezoeken. In den tuin is met een ingang in de Keizerstraat het ruime atelier gebouwd, zeer doelmatig en met een stijlvol geveltje van den Amsterdamschen architect J. A. van Straaten Jr. Een twaalf meter breed vertrek — ingericht tot bureau met de noodige lessenaars, brand- en archiefkasten — doorgaande, komt men in het atelier van den meester, zooals nevenstaande plaat weergeeft, waar hij zijn ontwerpen teekent en boetseert, en ook zijn zoon, de heer J. E. Brom, die als knap teekenaar reeds reputatie verwierf, de kunsttraditie van de ateliers-Brom hoog houdt. Wij zien hier het nieuwe ontwerp van het rijke en grootsche koorhek, dat in koper zal worden uitgevoerd voor de Haarlemsche Kathedraal, 't Is vol aan de muren en in alle hoeken met schetsen en afgietsels, en zag niet alles er stofvrij en zindelijk uit, dan zou men haast van zekere nonchalance kunnen spreken. De kasten en laden, waarin ontelbare teekeningen zijn geborgen, getuigen daarentegen van een bijzonderen zin voor orde en regelmaat, en aan de bibliotheek, die menig kostbaar boekwerk bevat, blijkt wel dat haar inhoud veel gebruikt en veel geraadpleegd wordt, maar ook goed geregeld is. Door een glazen wand gescheiden, grenst hieraan onmiddellijk de werkplaats der graveurs en drijvers, waar eveneens de meester zijn vaste plaats heeft. Vele kunstvaardige handen zijn hier bezig met de versiering der voorwerpen, die in de daar aansluitende afdeeling der goud- en zilversmeden gemaakt zijn. Het gt aveeren is een uiterst zorgzaam werk. Met een enkel graveerijzer, spitsscherp toegeslepen, snijden de graveurs, na eerst de teekening te hebben gezet, de gevoeligste beeldjes en groepjes op kelkvoeten en cibories. De krulletjes zilver springen telkens omhoog bij het graveeren van ornamentlijnen, die dieper en sneller gedaan worden, Maar vooral aan het bewerken van email champlevé is veel te doen, alles moet op de juiste diepte gestoken worden, de plaatsen, waar het email komt, moeten worden verdiept, het overige moet gespaard blijven. Nog meer komt t er op aan als het graveerwerk geldt dat transluïde, d. i. doorschijnend, geëmailleerd moet worden. Dan moet alles en relief, eenigszins als beeldhouwwerk behandeld zijn; over het gesneden relief komen dan de doorschijnende smeltkleuren, die het effect versterken en opluisteren,
want de diepe plekken worden dan donker, als beschaduwd, de hooger gehoudene, waarop var. zelf een dunner laagje email komt, blijven helder doorlichten. (Wordt vervolgd.)
SSIMILATIE-VERMOGEN. Door Ravo. Er worden menschen gevonden, wier aanpassingsvermogen, om wat zij lazen en hoorden in zich op te nemen, zoo groot is, dat zij het als eigen goed, als voortge-
komen uit eigen brein beschouwen. Zeker, dat doen wij onbewust allen, zoodat schier in twijfel mag getrokken, of er nog wel iets oorspronkelijks te denken of te zeggen is overgebleven na 't geen milliarden vóór ons hebben gedacht en gezegd, tenzij voor enkele genieën. Het „mijn en dijn" is hier met den besten wil ter wereld niet toe te passen; voortdurend wordt wisselroof van gedachten en woorden bedreven, waartegen geen octrooiwet en j ustitie iets vermogen; wordt een behendig plagiaat gepleegd, verontschuldiging alleen vindend in zijn algemeenheid, 't Is een debet en credit op geestesgebied, waarvan het quantum onmogelijk zou zijn vast te stellen. Zelfs de in-en-in-eerlijke mensch zou daartoe niet bij machte wezen. En gelukkig ook maar! Want hij zou öf gedoemd zijn tot zwijgen, uit vrees van zich iets van een ander toe te eigenen, öf we zouden vergast worden op gesprekken van soortgelijken aard: „Ik ben van oordeel, — of liever, ik weet, want ik herinner me, het ergens gelezen te hebben, dat
men goed zou doen met dien zwaren bouw beter te onderheien dan men voornemens is. De grond is van dien aard, zooals ik gisteren....
laat 'reis kijken, wie zei dat ook weer?... o ja, mijnheer van Eksteren hoorde zeggen, dat-i, de grond, eerst op groote diepte stevig genoeg wordt. De heipalen moeten dus — merkte dr Zalvers op, die in ons gezelschap was — een buitengewone lengte hebben,... Jan Pietersen meende wel twintig meter; maar Piet Lourensen dacht, dat ze 't wel met 18 meter zouden kunnen stellen". Enz. enz, — eenvoudig niet om te harden !
De in het algemeen niet te ontkomen noodzakelijkheid van het assimileeren van gedachten en woorden, het doorloopend plegen van plagiaat staat vast, en niet daartegen wil ik in machteloos, onzinnig toornen sputteren. Ik heb een assimilatie-vermogen van geheel andere menschelijke exemplaren op het oog, van lieden, die met volle bewustheid zich meester maken van de gedachten en woorden van anderen, om daarmee als met eigen. veeren te pronken. Er zijn verscheidene soorten van zulke lieden. Vooreerst de soort, bekend staande onder de min vleiende qualificatie van „wandelende moppentrommels". Van die soort worden er gevonden, die in een vleugje van nauwgezetheid van geweten nu en dan de binnen- of buitenlandsche bron opgeven, waaruit ze de mop tapten; maar de meesten geven zich die moeite niet, zetten er een gezicht bij, of de mop, hoe beschimmeld ook, eigen vinding en kersversch is. Het in-
slaan ervan genieten zij dan ook als een triomf, niet slechts door hun moppig talent van voordracht, maar ook door hun geestigheid behaald. Dat gaat zelfs zoo ver, dat iemand, die tegenover zijn kinderen de eeuwenoude mop van „den vader van de kinderen van Zebedeus" debiteerde, het als een hem aangedaan onrecht scheen te beschouwen, toen zijn oudste zei, dat-i die flauwe mop al kende. Geïmporteerd derhalve, en dan nog flauw ! 't Had weinig gescheeld, of de vroegwijze oudste —'n moderne! — had een pak slaag opgeloopen. Intusschen, deze soort van menschen kunnen, zoo ze ten minste zelf wat geest bezitten en daardoor de geestigheid van anderen kunnen ontdekken en weergeven, een gezelschap vermaken, en men gunt hun gaarne het succes, dat zij voor zich zelf van die geleende moppen opeischen.
' Een tweede soort vormen de serieuzen, die van redeneeren over allerlei onderwerpen houden, links en rechts in gezelschappen opmerkingen opvangen en dan bij gelegenheid die als eigen wijsheid aan den man brengen, niet alleen wat den inhoud, maar zelfs wat den vorm betreft. Voor gewone menschen zijn zulke „alweters", die met zooveel beslistheid hun opinie, wegens blijkbare kennis van zaken, uitspreken, eenvoudig phenomenale wezens, terwijl zij in werkelijkheid niets dan phonographen zijn. Wie evenwel zelf iets van de zaak weet, heeft zulk een „alweter"spoedig in den zak en kan het, daarop aanleggend, hem domheden als koeien
laten zeggen over hetzelfde onderwerp. Van zelf dringt zich hier de herinnering op aan een redenaar, die, met vreemde pluimen zich tooiend, door een uit zijn gehoor telkens werd onderbroken met de opmerking: „dat is van Cicero"; „dat is van Socrates"; „dat is van Chateaubriand"; „dat is van Swift"; „dat is van Boileau" ; „dat is van Louis Veuillot"; „dat is van Balzac" enz. enz. Allengs woedender geworden door die herhaalde interrupties.riepderedenaareindelijkuit: „Ikverzoek dien onbeschoften vent daar zijn mond te houden", waarop onmiddellijk, onder den schaterlach van de aanwezigen, volgde: „dat isvanhèm"! Inderdaad, hoevelen zijn er, die zich in voortdurend gevaar stellen, op eenzelfde manier te worden getrakteerd!
Een derde soort zijn nog brutaler. Dezen assimileeren in het gesprek zelf dat gevoerd wordt. Met een ongekende driestheid maken zij, in het nauw gebracht, midden in een redeneering zich meer of minder handig van de argumenten der tegenpartij, om bij te draaien en het ten slotte den schijn te doen krijgen, alsof zij het samen van den aanvang af treffend eens waren geweest. Aldus kan een tegenstander van de doodstraf aan het einde van een dispuut een voorstander ervan blijken, zonder eigenlijk bekeerd te wezen. Men moge daarover paf staan, in den regel laat een verstandig mensch zich een dergelijke indirecte erkenning van een geleden nederlaag welgevallen en haalt „in den geest" eenvoudig de schouders op.
„Maar zulke menschen ken ik!" roept gij wellicht allen uit. Geen wonder waarlijk, men vindt ze overal.
. HERTOGS f. — Antwerpen heeft zijn nieuwen burgemeester, die zijn welbekenden burgemeester Jan van Rijswijck opvolgde, niet lang mogen behouden. Eerst 31 Juli 1906 als burgerlijk hoofd
der oude Scheldestad zijn functie aanvaardend, is de heer A. Hertogs reeds na een regeering van even twee jaren door den dood uit den kring van zijn arbeid en van zijn vrienden op 65-jarigen leeftijd plotseling weggenomen. Op een gymnastiekfeest, dat hij met zijn tegenwoordigheid vereerde, gevoelde hij zich plotseling onwel, en na weinige minuten trad de dood in.
Voordat de heer Hertojjs burgemeester werd, had Antwerpen hem al vele jaren als raadslid en daarna als wethouder van Openbare Werken leeren kennen en waardeeren als een man, met hart en ziel zich wijdend aan de belangen der stad. Als burgemeester toonde hij in de haven-onlusten, welke Antwerpen beroerden, zich door zijn grooten tact de geschikte man, om de twee partijen tot elkander te brengen. Velen dan ook betreuren levendig het geleden verlies.
BDOEL HAMID, HOE HIJ TREILT EN ZEILT. Uit het Duitsch, van Dr ADOLF Kohurt II (Slot). — „Mij omgeven steeds huichelaars en vleiers", voegde
TurKije's Sultan Vambéry toe. „Uit het diepst van mijn ziel veracht ik dat eeuwige flikflooien en dat eeuwig gekruip. leder wil me slechts exploiteeren, ieder zoekt alleen zijn eigen
belangen door mij te dienen, en ik hoor niets dan ledige leugentaal en nietswaardige valschheden. Geloof mij, de bittere waarheid zou me nog liever zijn dan al die domme pluimstrijkerijen, waarvan ik voortdurend het voorwerp ben. Spreek open en vrij tegenover me, gij zijt in jaren en ondervinding rijker dan ik, gij zijt zoowel in het Westen als in het Oosten geweest, en ik zou van u veel kunnen leeren." „Deze openhartige en in den mond van oostersche Vorsten zoo zeldzame taal moedigde mij natuurlijk nog meer aan", vervolgt Vambéry. „In die uren van vertrouwelijk samenzijn met sultan Abdoel Hamid II had ik de teerste en kwetsbaarste punten der binnen- en buitenlandsche politiek van het Turksche Hof aangeraakt, en ook de karakters der grootwaardigheidsbekleeders besproken. Steeds verraste de Sultan me met zijn gezonde opmerkingen. Bitter beklaagde hij zich over de onver trouwbaarheid van zijn eerste ministers, hen met niet bijzonder vleiende bijnamen aanduidend. Deze uitingen van den schijnbaar machtigen, absoten heerscher, wierpen een spookachtig,licht op zijn treurige eenzaamheid. Toen ik bij zekere gelegenheid zijne aandacht op de niet zuivere houding van eenige Paleisambtenaren vestigde, scheen hij zeer getroffen en riep hij ontsteld uit: „Denkt u dat ik ze niet allen ken en ik niet alles weet,
— helaas! maar al te goed. Maar waar kan ik andere en eerlijke menschen vinden in een maatschappij, die sedert eeuwen zich wentelt in een poel van zonden. Alleen de tijd en de beschaving zouden onder dit opzicht opvoedend kunnen werken, — anders niets." En de Sultan had dan ook, tegen de oude overleveringen in, feitelijk in zijn onmiddellijke omgeving slechts zulke jongelieden gebracht, die hun studiën met onderscheiding voleind en geen betrekkingen met de voorname kringen hadden. Hij wilde een nieuwen kring om zich vergaderen, en evenals zijn vertrouwden in het Land zelf, moesHk in het buitenland bewijzen van mijn vriendschap voor hem geven. Hij verzocht me, dat ik hem maandelijks minstens tweemaal in het Turksch geschreven rapporten over de openbare meening van Europa, over den stand der politieke vragen van den dag, over de Islamitische verhoudingen buiten de grenzen van Turkije enz. zou zenden, en beloofde, dat op eenige eventueel tot hem te richten vragen steeds een antwoord zou worden gegeven." Op den wereldreiziger moest, zeer begrijpelijk, zulk een vleiend en beminnelijk verzoek van den „Heerscher over alle geloovigen" een diepen indruk maken. Derhalve waagde hij het op een audiëntie in een intiem gesprek, dat hij weder met den Sultan had, van de hem verleende machtiging, ronduit te spreken, ruim partij te trekken, door zich de vrijheid te veroorloven, eenige verordeningen en inzichten van den Sultan voor doelloos, ja, overbodig te verklaren. Maar dat bekwam hem slecht! Op het gelaat van den Vorst teekenden zich aanstonds verdriet en toorn af, en van nu af nam de Sultan een gereserveerde houding aan, waren de vertrouwelijke betrekkingen tusschen Vambéry en den turkschen Keizer verbroken, al viel de drieste raadgever niet geheel in ongenade. Vambéry moest bij deze gelegenheid ook ondervinden, dat Abdoel Hamid II zich op geenerlei wijze onderscheidde van andere oostersche Vorsten, die te veel aan wierook gewoon zijn, om de volle en zuivere waarheid te kunnen verdragen. Reeds van het begin van zijn regeering af heeft de Sultan geen tegenspraak geduld. Scheen hij al eens naar een hem gegeven raad geduldig te luisteren, dan liet hij zich toch niet van zijn standpunt afbrengen. Had hij een grootvizier, die vasthield aan zijn persoonlijke opvatting, als bv. Khaireddiu Pacha, Kiamil Pacha, Achmed-Vesik Pacha en anderen, dan werd die onmiddellijk ontslagen.
Wijl Vambéry nu het juiste aangezicht van den Sultan kende, werd hij bij zijn latere aantakingen met hem voorzichtiger in zijn uitdrukkingen en bediende hij zich, als hij niet spreken wilde, van de diplomatie des zwijgens. Dat de Sultan zelf dikwijls aan de onhoudbare binnen- en buitenlandsche toestanden van zijn Rijk door zijn strenge despotieke regeering de schuld droeg, welke den groei van een onomkoopbaar ambtenaarskorps en van voortreffelijke staatslieden onmogelijk maakte, wilde hij niet inzien, ofschoon Vambéry menigmaal den moed had, daarop te zinspelen en de vermaning van Mohammed te citeeren: „Leeit van elkander". Abdoel Hamid II was een onverbeterlijke oud-Turk en wilde, in de schaduw van het hem door Allah verleende gezag, absoluut heerscher zijn.
Evenwel hoedde de verstandige Sultan zich voor een voorkomen breuk met Vambéry, en dat niet alleen op grond, dat deze niet ophield, zich een vriend van Turkije te toonen en aan zijn sympathie in de europeesche, vooral de engelsche, pers uiting te geven, maar ook omdat hij de gelegenheden niet wilde missen, om op den schrijver zooveel mogelijk invloed utt te oefenen. Zooals bereids gezegd werd, is hij zeer bang voor de meening van Europa, waarmee hij in elke richting rekende. Steeds wilde hij in de oogen der wereld voor een verlicht, vrijzinnig, patriotisch, vredelievend en consciëntieus heetscher doorgaan. En evenzoo streefde hij ernaar als een man van westersche beschaving geëerd te worden, ofschoon hij geen enkele europeesche taal kent en zijn korte europeesche reis in 1868 ondernomen de eenige is gebleven, welke hij ooit in het buitenland maakte. Vermakelijk was het te hooren, hoe hij nu en dan in het gesprek de een of andere fransche phrase mengde, om daardoor den gezanten en voornamen gasten ontzag in te boezemen voor zijn kennis. Wijl hij, zooals in het vorig artikel werd gezegd, over een buitengewoon geheugen beschikt, geraakte hij bij het aanwenden van zulke trucs nooit in verlegenheid.
De Sultan bezit de slimheid van den vos. Wijl het met de waardigheid van een Kalif, den opvolger van Mohammed, niet is overeen te brengen, den raad van een ongeloovige in te winnen, behandelde hij Vambéry als een ouderen en de wereld kennenden oud-geloovige. Steeds noemde hij hem met zijn turkschen naam: Resid Effendi, en hij trachtte een bijzondere waarde aan dien naam te hechten, wanneer ook vrome en geleerde Muzelmannen ter audiëntie waren ontboden. Abdoel Hamid verslaat meesterlijk de kunst zijn gast te betooveren, deelt gaarne complimentjes uit, overhandigt met genoegen zelf vuur voor de sigaret en geeft zich de moeite, zoo beminnelijk te zijn, dat de eenvoudigste burger ter wereld hem daarin niet zou kunnen overtreffen.
Maar dat alles dient hem, natuurlijk, slechts als middel, zijn bezoekers door zijn beminnelijkheid te omstrikken en gewillig te stemmen. Soms speelt hij ook comedie, nu eens toorn, dan blijdschap en verrassing veinzend, naar gelang van behoefte.
„Nooit zal ik het tooneel vergeten," verhaalt Vambéry, .waarvan ik eenmaal, naar aanleiding van de ietwat levendige debatten over de Egyptische aangelegenheden, getuige werd. Om zijn tegen Engeland gerichten wrok te verzachten, bracht ik in het midden, dat hij ongetwijfeld na vereffening van de Egyptische slaatsschuld weder zijn gebruikelijke jaarlijksche schatting zou ontvangen. De Sultan verstond mijn woorden verkeerd. Veronderstellend, dat ik van den verkoop der provincie voor geld gesproken had, sprong hij op en
schreeuwde me in zeer opgewonden toon toe
„„Wat! Kunt u gelooven, dat ik voor geld dit land zou afstaan, 't welk mijn voorvaderen met het scherpe zwaard hebben veroverd....?" En zijn knieën beefden, de fez (roode muts) gleed hem in den nek, zijn handen balden zich krampachtig tot vuisten en hij viel schier bewusteloos in zijn zetel terug. En toch was die opgewondenheid slechts voorgewend, evenals ook bij een andere gelegenheid, toen hij met kracht en geweld mij wilde overhalen, in zijnen dienst te treden en mijn vaste woonplaats te Stamboel te vestigen. Hij greep mijne handen en verzekerde me van zijn onver-
anderlijke gunst, mij een hoogen rang en schatten belovend. En herhaaldelijk voegde hij me toe: „„Gij kent immers ons land en onze natie veel beter dan wij-zelf." Van de persoonlijke seoedhartigheid en beminnelijkheid van den toen nog autocratischen Sultan deelt Vambéry tal van trekjes mede, die het begrijpelijk doen schijnen, dat de Sultan onder de bevolking van zijn Rijk zeer populair is. Op 'n keer was Vambéry met den Vorst in de groote receptiezaal van het paleis. Het was een zeer heete dag geweest. Gedurende het gesprek met zijn gast werd de keel des Keizers droog, weshalve hij zijn in een belendend vertrek toevenden kamerbediende toeriep: „„Szugetirin" (breng me water). De bediende was öf ingeslapen, öf hoorde niet het bevel van zijn heer. Deze herhaalde twee-, driemaal zijn woorden, klapte in de handen, maar alles was vergeefsch. Alsdan sprong Vambéry op en ti^p den lakei binnen, waarna de Sultan in een kermenden toon tot dezen sprak: „Ik heb al driemaal om water verzocht en je hebt me niets
gebracht, en toch ben ik dorstig, zeer dorstig." ledere andere Oostersche despoot had den lakei het hoofd laten afslaan, maar het zou hebben in-
Bedrulscht tegen het zachte karakter van den padisja. Ook van het vreesachtige en wantrouwende Karakter van den Sultan geeft Vambéry menig Kostelijk staallje. Op een avond dronk de geleerde J^t den Keizer in een kiosk van het Yildiz-paleis "cc. Daar deze ietwat bitter was, stak Vambéry ziine hand naar de dicht bij den Sultan staande Sl»ikervaas uit. Verschrikt sprong Abdoel Hamid an de canapé op en maakte een afwerend gebaar, s°i zijn gast een aanslag had willen plegen. Een anderen keer, toen zij samen koffie dronen, merkte de wereldreiziger op, dat gedurende et onderhoud de Sultan eensklaps den adem ver°or en naar lucht hapte. Vreeselijk was de toestand van den bezoeker, want de gedachte, dat Sultan in zulk een aanval zou kunnen stikken, ervulde hem met ontzetting. Wat zou dan gebeden !De paleisbeambten zouden hem, den •syaur" stellig voor den moordenaar van den Urkschen keizer hebben gehouden ! Hoe weifelend en besluiteloos Abdoel Hamid zijn handelingen vaak is, daarvan getuigt de gende karakteristieke trek: Lord Dufferin moest urende de onderhandelingen over het Egyptische . gstuk eens van 's morgens 10 uur tot's nachts uur niet zijn secretaris in het Yildiz-paleis p het bescheid van den Sultan wachten. Reeds uiaal had men Abdoel Hamid den tekst van 1 Verdrag voorgelegd, en even dikwijls keerde §e*ijzigden vorm het document terug, totdat 2 n8e'sche gezant zijn geduld verloor en tegen ter Uf 'n den nac*lt me* ziJn gevolg naar Therapia sla erc*e- Hij was al naar bed gegaan en ingep n. toen een ijlbode van den Sultan hem wekte cm een nieuw amendement deed toekomen; aar u i lot engelsche geduld was ten einde en het Jan Egypte bezegeld. jj an de oprechte sympathieën, die Abdoel Vo N voor Pruisen en Duitschland, met name keizer Wilhelm II gevoelt, weet Vambéry mede Q_, *> aardig en interessant moment te verhalen. rje e nu vaak genoemde meest geliefde zoon suj u'tans, prins Burhaneddin, die zeer vloeiend «n sPreekt, zei aan Vambéry, dat zijn vader smt°OIC h'^ veel van de Duitschers hielden. De n Is er vast van overtuigd, dat hij tengevolge van zijn vriendschappelijke betrekkingen met den Duitschen Keizer zich veilig kan voelen tegen eiken aanslag en hij derhalve van Rusland noch van Engeland iets te vreezen heeft.
Vambéry besluit het hoofdstuk van zijn betrekkingen met Abdoel Hamid II met de volgende woorden: .Ik ben gedwongen, openhattig te erkennen, dat het karakter van Abdoel Hamid mij tot den huidigen dag een raadsel toeschijnt. Ik heb al mijn scherpzinnigheid in het werk gesteld, om op den bodem van zijn ziel te kijken, maar tevergeefs. In die ziel voeren glanzende eigenschappen met ongelooflijke zwakheden een eenwigen strijd. Bij hem staat de mensch met den heerscherop voet van oorlog, en tusschen zijn oostersche wereldbeschouwing en de in zijne ziel woelende moderne begrippen heerscht bestendige veete. Zijn hof-camerilla streeft slechts zelfzuchtige belangen na en droeg niet weinig bij tot den ondergang der Porte bij. Niets dan klieken... die secretarissen, adjudanten, kamerheeren, hofmaarschalken enz.! Een merkwaardige chaos van intriges, kabalen en lasteringen omgeeft den persoon des heerschers, die zijne plaats er tusschen handhaafde, wijl hij was in het volle bezit van zijn mannelijke kracht en met zijn buitengewone geestesbegaafdheid hun gedachten en plannen doorzag. Maar men kon van den Sultan geen bovenmenschelijke
dingen verlangen, en wijl zijn lichaamsgestel steeds zwak was geweest, werd eindelijk zijn zenuwstelsel geschokt. .In het derde tiental jaren na zijn troonbestijging was zijn zwakte in het oog loopend, de teugels der Regeering ontglipten aan zijn handen, uit den heerscher werd eerjniensch^iei^nderen ln dezenß wasH er geen beklagenswaardi-M ger dan Sultan,H en konH me in onmiddel-H nabijheid overtuigen,! beeldß autocraten! kwamen! nog de groote zorgen der! Regeering del verlegenheden,! euro-B peesche enH de voor revolutie.H Deze gedachten kweldenH den Grooten Heer en lietenl hem geen rust.H Ware van gedach-H ten der zelfheerlijkheidH
niet zoozeer vervuld, en wilde hij over de onder den invloed der moderne vorming ontwakende Turken liberaal regeeren, hij zou van vele slapelooze nachten zijn verschoond gebleven. Maar hij is een hardnekkig man en vast besloten, dat ook voor de toekomst de heerschappij van den schrik, welks schepper hij was, blijve voortbestaan (die verwach-
ting is nu door het verleenen van de Grondwet beschaamd geworden, maar of de Sultan nu een geruster leven leidt, te midden der verwikkelingen,
welke in den laatsten tijd om zijn troon afspeeleen, is aan sterken twijfel onderhevig. Red.) Dat zijn de bronnen van zijn ongeluk en zijn lijden. Waarlijk, deze man had een beter lot verdiend, want hij is veel beter dan zijn roep, veel begaafder dan velen zijner voorgangers, en hij wenscht slechts het welzijn van zijn Land. Zijne middelen echter zijn van een aard, dat hij er steeds precies een tegenovergestelde werking meê bereikt. „Mij heeft Abdoel Hamid met vele bewijzen van zijn gunst en zijn welwillendheid overladen en ik ben hem blijvenden dank verschuldigd, ik betreur oprecht, dat ik hier, van onze persoonlijke betrekkingen gewagend, genoodzaakt ben, ook zulke inzichten uit te spreken, die hij me wellicht kwalijk nemen zal. Maar de schrijver mag en kan geen hoveling wezen. Allereerst mag hij niet, om gekroonden hoofdpn welgevallig te zijn, de oude spreuk vervalschen: „PJato is mijn vriend, maar grooter vriend van mij is de waarheid."
R. JOAN BOHL. t — Een krachtige figuur is heengegaan met dezen man, die schier een halve eeuw in de wereld van wetenschap en letteren een plaats in de eerste rij van Neerland's geleer-
den heeft ingenomen. Mr Joan Bohl had, wat mannen van beteekenis schier altijd hebben, een sterk uitgesproken persoonlijk cachet, waardoor hij zich in den kring, waarin hij zich bewoog, scherp onderscheidde. En dat cachet droegen niet slechts zijn werken, maar droeg ook zijn gansche persoonlijkheid. Zijn doen en handelen was eigenaardig, iets anders dan van den gewonen mensch, en grensde nu en dan zelfs aan het zonderlinge.
Een onverdroten werker, met buitengewone werkkracht, is mr Joan Bohl geweest op velerlei gebied. Want al was hij in de eerste plaats jurist, met de juridische wetenschap en de rechtspractijk geheel en al vertrouwd, ook op letterkundig en dichterlijk terrein ontwikkelde hij groote gaven en behaalde hij menigen lauwer.
Zieriksee is de bakermat geweest van den hoogst verdienstelijken burger, die, zelf gevierd, Neerland's eer verre over zijn grenzen hoog gehouden en haren luister vermeerderd heeft. In 1836 aanschouwde hij het eerste levenslicht Eerst voor den handel opgeleid, zocht zijn in geheel andere richting aangelegde geest zich andere banen. Jurisprudentie en de schoone letteren deelden zijn liefde, ln verscheiden voorname groote europeesche steden bestudeerde hij de wetten, het staatsrecht, de staathuishoudkunde en de talen van het Land, waar hij zich bevond, en zich ook tot de journalistiek voelende aangetrokken, stond hij korten tijd onder de leiding van den toenmaligen hoofdredacteur van „De Tijd", Mgr J. A. Smits z. n. Zijn pen schiep destijds reeds verscheiden novellen, later in een bundel uitgegeven.
Maar toch, dat was niet de toekomst hem weggelegd. In die dagen trok hij de aandacht van den hoogstbegaafden katholieken rechtskundige mr S. P. Lipmann en deze bewerkte, dat de heer Bohl aan de leidsche Universiteit bij de juridische faculteit werd ingeschreven. Daar bleek hij volkomen op zijn plaats, trok al spoedig de aandacht door zijn groote scherpzinnigheid en maakte hij schitterende studiën, besloten door zijn doctoraat en promotie in de beide rechten, op de burgerrechtelijke verhandeling : „Beschikking ten behoeve der armen" en op de strafrechtelijke: „Misdrijven vanp^stambtenaren".
In 's Rijks hoofdstad als practizeerend advocaat gevestigd, had hij weidia in lechtskundige en litteraire kringen zich naam gemaakt. Zijn litteraire voortbrengselen, geschiedkundige en andere, — waaronder „Pius VII en zijn tijd", de roman „Quos Ego", „Deux fois Reine" (aan de koningin. van Rumenië, Carmen Sylva, gewijd) enz. — onderteekende hij met een dor vele pennenamen, die hij had aangenomen. Op letterkundigdichterlijk gebied oogstte hij echter wel zijn schoonste lauweren met zijn voortreffelijke, van degelijke studie, grondige kennis van het Italiaansch en groot gemak van versificatie getuigende vertaling van Dante's „Goddelijke Komedie", waarvan de eeiste proeven verschenen in het Nederlandsch Dante-orgaan „De Wachter". Voorts met zijn mooie Canzonen, in oorspronkelijke terzinen, waarvan wij er een, ter gelegenheid van mr Bohl 's 70n verjaardag, in ons Zondagblad hebben opgenomen.
Van de voornaamste rechtskundige werken, die mr Bohl ook. in het buitenland maakten tot een gevierd en in velerlei vormen gehuldigd man, noemen wij zijn „Wetboek van handelsrecht in het koninkrijk Italië", vertaald, gecommenteerd en vergeleken met de voornaamste wetboeken in andere Staten en met het Romeinsche Recht; het .Nieuwe Wetboek van handelsrecht van het koninkrijk Italië"; „Hervormingen in het handelsrecht van Italië"; het door hem bewerkte en met glanzend succes bekroonde Strafwetboek voor Rumenië; „De Godsdienst uit staat- en rechtskundig oogpunt" — Doch waar te eindigen, zoo wij alles wilden aanstippen, waardoor de naam van mr Joan Bohl een wereldreputatie in zekeren zin gekregen heeft. In de katholieke dagbladen heeft men daaraan uitvoeriger en beter recht doen wedervaren dan wij hier, met het oog op onze ruimte, doen kunnen.
Onze geloofsgenoot mr Joan Bohl behoort tot degenen, die Nederland niet vergeten zal, en van wier naam de echo ook in het buitenland nog lang zal nattillen. Zijn stoffelijk overschot rust thans op het landelijke kerkhof van de Buitenveldert, bij Amsterdam. Hopen en bidden we, dat zijne ziel reeds ruste in God.
RINS EN PRINSES AUGUST VAN PRUISEN. — Van de zes zonen, welke het duitsche Keizerspaar heeft, is thans reeds de vierde, prins August, dezer dagen in het huwelijk getreden met
de tweede dochter van het hertogelijk paar van Sleeswijk-Holstein-Glücksburg, hertog Frederik en hertogin Caroline Mathilda. Beide jonggehuwden zijn 21 jaren oud en kenden elkander reeds van hun vroege jeugd, zoodat dit inderdaad een huwelijk mag geacht uit liefde gesloten. Prins August is onder zijne broeders de „Prinz- Zivilist", de Prins-burger, bestemd, zegt men, om gouverneur van Lotharingen te worden, dus voor een hoogen administratieven, niet voor een hoogen militairen post. Hij heeft in de rechten gestudeerd, en uit den dronk, door keizer Wilhelm aan den bruiloftsdisch uitgebracht, mag afgeleid, dat zijn studiën met groot succes zijn bekroond.
URKSCHE BOYCOTT VAN OOSTENRIJKSCHE WAREN. — Turkije bestrijdt Oostenrijk, in afwachting van de dingen die nog komen kunnen, op de meest
moderne wijze, door namelijk een verwoeden boycott op de oostenrijksche handelsartikelen toe te passen.
Reeds vele demonstraties hebben te Constantinopel plaats gehad, en magazijnen zijn met vernieling bedreigd geworden, tenzij de eigenaars afzagen van het verkoopen van uit Oostenrijk ingevoerde artikelen. Een der meest curieuze teekenen van dezen handelsoorlog is het afdanken van de roode fez door vele Turken geweest. Deze eigenaardige fez wordt in Oostenrijk gemaakt, en de patriotische Turk heeft ze nu vervangen voor de in het eigen land gemaakte witte fez. Onze illustratie stelt een demonstratie vóór een der grootste magazijnen te Constantinopel voor. De inrichting was kort geleden aan een fransche maatschappij overgegaan, maar zelfs het vertoonen van de fransche en turksche vlaggen mocht niet baten, om den boycott af te wenden. Op den voorgrond worden mannen gezien, bezig met het Verkoopen van witte fezzen.
EN INVAL IN HET PARLEMENT. — Reeds herhaaldelijk hebben, naar men zich herinneren zal, de „suffragetten", de vrouwelijke propagandisten voor het vrouwenkiesrecht in Engeland, pogingen
aangewend om het Parlement, waar geen vrouwen komen mogen, binnen te dringen en daar de vrouwenrechten te verdedigen. Dinsdag der vorige week liepen ze opnieuw storm op het Lagerhuis,
en ofschoon ook nu een sterke politiemacht den aanval wist af te slaan, is toch één suffragette erin geslaagd, in de zittingzaal te geraken en de eerste vrouwelijke speech — ongetwijfeld een heel korte — voor het vergaderde Lagerhuis af te steken. De indringster was( mevrouw Travers Symons, dochter van den heer Williams, die vroeger particulier secretaris van den heer Heir Kardie, bet welbekende Parlementslid, is geweest. Zij was door den afgevaardigde Idris in de couloirs gebracht en van daar deed zij een plotselingen sprong door de tuimeldeur, liep de afsluiting door en rende voort tot halverwege de zaal. Het gelukte haar een paar volzinnen letterlijk eruit te gooien, waarna zij reeds door een bode van het Huis gegrepen en weggevoerd werd. Na haar naam en haar adres te hebben opgegeven, werd zij in vrijheid gelaten. Een onzer illustraties geeft de scène getrouw weer.
. W. SCHUTTER, f — Vele amsterdamsche Katholieken hebben den eenvoudigen burger, die bovenstaanden naam droeg, gekend, en velen van hen weten ook, dat hij een ijveraar was voor
het beoefenen van de werken van barmhartigheid. Inzonderheid aan dat van het begraven der R. K. armen wijdde hij zijn gansche leven, van zijn 18e jaar tot zijn 76ste jaar, tot nog kort voordat hij zelf ten grave gedragen werd. Met een nauwgezetheid van geweten, als had hij te dien opzichte een gelofte gedaan, lette hij op regen, storm, strenge koude noch groote hitte, — niets kon hem, wanneer hij als lid van het Genootschap, tot dat doel opgericht, de beurt had, weerhouden van het vervullen van den plicht, dien hij zich-zelf had voorgeschreven. En was iemand van het Genootschap verhinderd zijn beurt waar te nemen, aanstonds was de heer Schutter bereid, diens plaats in te nemen. Teekenend voor zijn nooit verzwakkenden ijver voor dit Liefdewerk en treffend is wel, dat hij, op zijn sterfbed liggend, nog een boodschap kreeg, om te helpen een overleden arme te begraven. Men had niet geweten, dat een ernstige ongesteldheid den heer Schutter had aangegrepen.
„Wees barmhartig, en gij zult barmhartigheid verwerven", is door den Heiland toegezegd. De heer Schutter moge die belofte reeds aan zich hebben vervuld gezien in het ontvangen van een eeuwig loon; maar een gebed voor de rust van zijn ziel heeft de brave man van zijn geloofsgenooten, en met name van de armen, wier stem zoo welsprekend is bij God, waarlijk wel verdiend. Hij ruste in vrede!
ET HOTEL BELLEVUE TE ARNHEM AFGEBRAND. — Het bekende Hotel „Bellevue", gebouwd in 1844 op een der mooiste plaatsen van Arnhem, is deze week afgebrand. H. M. Anna
Paulona, Grootvorstin van Rusland en Weduwe
yan wijlen Z. M. Koning Willem 11, hield in dit hotel veelvuldig verblijf, en vooral's zomers placht het nog aanzienlijke vreemdelingen te herbergen.
Het gebouw was geheel electrisch verlicht door een eigen installatie, en de brand is vermoedelijk aan kortsluiting der geleidingen te wijten.
De brand werd om kwartier over drie uur jl. Uinsdag ontdekt. Zoowel de voor- als de achter-2lJde van de groote eetzaal stond toen in lichte 'aaie. Om 4 uur was het geheele gebouw een vlammenzee en brandden zelfs de wijnfusten in ue kelder. Tegen kwartier na vieren stortte het vak in en te 6 uur was het middengedeelte reeds een ruïne geworden. Even vóór 7 uur *e'd men den brand meester en bepaalde men 2>ch ertoe om de rookende puinhopen nat te spuiten, doch te middernacht begon men aanstalten te "•aken om de muren, die gevaar opleverden, neer 1* halen, met welk werk men nog den geheelen Dinsdag is bezig geweest.
Het gebouw was verzekerd voor f 134,000. De Schade wordt geraamd op f 140,000. Nagenoeg het geheele hotel met al het zilver*erk en de kostbaarheden is in vlammen opgegaan. Vermoedelijk echter valt ook een mensche'ik slachtoffer te betreuren, n.l. de hotelknecht 'Jerrit Wammes, die eerst drie weken in dienst *as en op het oogenblik dat dit nummer ter perse gaat nog wordt vermist. Men vreest zijn lijk "der de puinen te zuilen vinden.
AMARTINE EN SHAKESPEARE. — Ik herinner me — verhaalt Jules Ctaretie, lid der Fransche Academie — ik herinner me, dat toen Edmond Texier, journalist en voortreffelijk causeur, den herfst te Saint
°int bij De Lamartine doorbracht, op een avond dichter der „Méditations" zich in opgewekte eruniing aan tafel zette en vroolijk zei:
•Vader Havin heeft me om een serie artikelen jj vraagd, en ik zal die schrijven. Maar ik zocht ij fr een geschikt onderwerp, en het viel me niet cht. het te vinden. Welnu, eureka! — ik heb het Avonden!"
«En welk is het?" vroeg mevrouw De Lamartine zacht.
j, »Dat zal ik je vertellen.... Al geruimen tijd wilde 2eggen, luide aankondigen, hoe ik over Shake- Pca* denk." '1 het hooren van dien naam verbleekte me wDe Lamartine, die, meen ik, eene Engelsche as en keek Edward Texier aan.
Ja" jj * " • ging de dichter voort, „ik houd niet van aangematigde gloriën. Shakespeare is het genie de onverstand. Shakespeare is een vooroorke' shakespea.e is een uitvinding der romantle• Shakespeare is een dwaas!" • en dwaas!" riep Texier verschrikt uit. ,ten dwaas. Een vertooner van een tooverlantaren. Een dramaturg voor kinderen. Dat verklaar ik, en dat zal ik bewijzen. Mijn eerste artikel loopt morgen-ochtend van stapel. Ik zal hef dezen nacht schrijven, en wij zullen ons met Wilüam Shakespeare amuseeren!"
Mevrouw Ue Lamartine wist, dat, wanneer haar beroemde echtgenoot zijn stokpaardje besteeg, hij Ihet liet draven. Na verloop van eenigen tijd werd het beestje moe en stapte de dichter af. Zij zei niets meer bij den verderen du ut van den maaltijd, en Lamartine ging, in spijt van Texier's tegenwerpingen, voort met de domheid der Shakespeariaansche uitvindingen te betoogen: „Die Hamlet, begrijp je dien Hamlet, die zich afvraagt, of er nog iets is na den dood; die verklaart, dat nog geen enkelevan daarginds is weergekeerd, en die met eigen oogen zijn vader heeft zien terugkeeren en zien wandelen op het terras van
Elseneur? Dat is gemis van samenhang aan één stuk door. Dat zal ik zeggen, dat zal ik schrijven!"
Nadat het diner was geëindigd, ging het den verderen, avond stil toe, en vervolgens begaf zich ieder naar zijn kamer. Edward Texier sliep nog niet, toen op zijn kamerdeur werd geklopt, 't Was mevrouw De Lamartine, die in nachtgewaad en met een brandende kaars in de hand den journalist kwam smeeken, De Lamartine op te zoeken en hem te bezweren, het voorgenomen artikel niet te schrijven: „Shakespeare aanvallen! Willen bewijzen, dat Shakespeare een dwaas is, begrijpt u zoo iets, mijnheer Texier? Mijnheer de Lamartine zal zich met schande overladen. Met schande of met belachelijkheid. Om den wille van zijn roem bid ik u hem te beletten dat te doen." Na haastig eenige kleedingstukken te hebben aangeschoten, deed Texiet open. Het hoofd der arme vrouw was geheel en al van streek. Tevergeefs poogde Texier haar tot bedaren te brengen.
„Misschien is het beter, mevrouw," antwoordde hij, „hem zijn artikel te laten schrijven, zijn anti- Shakespearianisme te laten luchten, en aan Leonor Havin te schrijven, de hekelende beoordeeling niet op te nemen, zonder vooraf mijnheer De Lamartine eenige opmerkingen te hebben gemaakt. Mijnheer De Lamartine zal gaan nadenken. In elk geval is de heer Havin hoofdredacteur. Hij zal hem zeggen, dat hij de verantwoordelijkheid van den paradox niet op zich kan nemen."
„U hebt bepaald gelijk, mijnheer Texier," zei de ongelukkige vrouw, geheel verbijsterd.
Den volgenden morgen trad De Lamartine uit zijn kamer, zwaaiende met de zijtjes schrift, die hij in den nacht, of in den vroegen ochtend, na het krieken van den dageraad, had afgewerkt. „Ziezoo, dat is klaar!" riep hij uit. „De zich noemende Shakespeare kan op zijn tellen passen!" Met haar teederste stem voegde mevrouw De Lamartine haar echtgenoot alsnu toe: „Dus, beste man, blijf je er beslist op staan, je meening over Shakespeare te zeggen ?" „Natuurlijk sta ik daarop!" antwoordde De Lamartine, luide lachend. „Gij weet dat uw denkbeelden valsch zijn." De Lamartine haalde zijn schouders op. „Gij weet," hernam mevrouw met smartelijke langzaamheid, „gij weet, beste, dat gij mij veel, heel veel verdriet zult aandoen!" Onder het spreken had zij gesnikt. De Lamartine keek haar een oogenblik aan en toen werden zijne oogen op hunne beurt vochtig. Hij maakte een gebaar. „O neen, niets," zei hij, „niets ter wereld is waard, dat een mensch dengenen verdriet aandoet, die hem beminnen." En zonder te aarzelen verscheurde hij de blaadjes over Shakespeare, die hij met zijn mooie, loopende hand had volgeschreven. „Wat zijt ge toch goed," zei mevrouw De Lamartine, blijde. „Ik goed? Ik ben een dwaas, een dwaas evenals Shakespeare!" En men dejeuneerde dien dag in de opgeruimdste stemming te Saint-Point.
E AUBADE. Naar het Fransch van Paul Ginistry. 't Was in het begin van de expeditie van Tunis... Ik bevond me in een dorp halverwege de steden Bona en Soek-Ahras,
waar in die dagen de spoorlijn eindigde. Ik trad de eenige herberg binnen, anders zoo rustig, nu zoo vol bedrijvigheid en gedruisch.... in de gelagzaal ontbeten de officieren om hun commandant geschaard. Mij (als correspondent) had men een plaatsje willen aistaan. De pas afgelegde marsch had iedereen hongerig gemaakt. De goede man, die deze primitieve herberg hield, was overvallen geworden, maar spoedig had hij zich op de hoogte van zaken gesteld, en op den hoenderhof was een ware slachting aangericht 1 Toch excuseerde hij zich met treffenden eenvoud: „Als ik dat geweten had... Olficieren!.. Dan zou ik me gelukkig hebben geacht, u behoorlijk te behandelen, mijne heeren." Men stelde hem gerust, verklaarde zich tevreden, maar slaagde er niet in zijn bekommeringen weg te nemen. Hij vermenigvuldigde zich als het ware en uit de kast haalde hij porseleinen borden met bloemen, slechts dienende voor buitengewone gelegenheden! En inderdaad, op deze vrijwel eenzame plek moesten zulke gelegenheden wel zeldzaam wezen. Maar dat was luxe, dat eetservies, aan den vooravond van allerlei krijgsavonturen. Binnen enkele dagen, op arabischen bodem, zou er wel sprake wezen van porseleinen borden! In hun ongeduld, om aan den slag te komen, dreven de oificieren met hun „verwijfdheid" den spot. Aan het dessert vescheert de herbergier weder. Hij droeg in zijn armen eenige flesschen, die er goed uitzagen, en welke hij omzichtig op de tafel plaatste. Vervolgens het vertrek verlatend, keerde hij een oogenblik later terug, vergezeld van zijn ongeveer twaalf-jarig dochtertje, dat een grooten ruiker in hare hand hield, welken zij met een lieve buiging den commandant kwam aanbieden. Men juichte dat aardige idéé toe, maar eensklaps scheen een soort van verlegenheid allen te beheerschen. Wat was ze bleek en zwak, het arme meisje! Slechts met moeite liep zij voort, de bloemen schenen zelfs te zwaar voor haar. Allen werden we door een gevoel van medelijden aangegrepen, 't Was een zoo droef gezicht, die poging van het kind om een minuut lang een zoo lichten last ongerept te bewaren! En ook in haar glimlach, toch zoo open, lag iets van zware vermoeienis! Ze had haar mooiste japonnetje aangedaan, maar de te wijd geworden stof hing in plooien om haar vermagerd, uitgeteerd lichaam ....
Een visie van den nabijzijnden dood, zwevend over dit gastvrij huis, was me plotseling verschenen. Zijn ontroering niet geheel kunnende verbergen, kuste de commandant het meisje, en vroeg den herbergier: „Is dat uw dochtertje?" Deze antwoordde alleen met een beweging van het hoofd, wellicht niet durvende spreken, omdat hij een snik niet zou hebben kunnen weerhouden. In zijn droeve blikken was de berusting van een verwachte groote smart te lezen, een diepe genegenheid, die voortdurend sidderde. Zijn oogen volgden de schreden van het kind, als hield hij zich gjreed om, in geval van mogelijke bezwijming, toe te springen. Eindelijk zei hij, hijgend en schier fluisterend:
„Zij heeft willen opstaan toen zij het bataljon had gezien... zij heeft het gewild!..."
Wat 'n wanhoop in die woorden! Wat drukte hij smartelijk het nuttelooze uit van weerstand tegen een gril, die misschien de laatste zou wezen, het ijdele van het nemen van voorzorgen, al de moedeloosheid van een overwonnen teederheid! Dat was niet meer te verheelen, dat het kind sterven ging Men begreep, dat men aan de arme kleine de ilusie van vreugde moenst geven, en het was treffend om aan te zien, hoe alle officieren zich beijverden hun stem wat te dempen, aardig met haar te schertsen en nog voordat de kleine zich vermoeien kon met praten te antwoorden op de vragen door haar nieuwsgierigheid ingegeven. Onze gastheer liaJ inmiddels de flesschen omturnt. Ook zij bevochtigde haar lippen aan een glas, toen haar vader zei: .Mijne heeren, op het bataljon 1"
Eenzelfde gedachte had iedereen.... 't Zou al te vreemd zijn geweest, te drinken op de gezondheid van het meisje; men durfde niet.... Wat evenwel voor haar te doen? Welk souvenir baar achter
te laten aan den doortocht van het bataljon? Heel zacht zette de commandant het kind op zijn knieën en sprak: „Waarmee zouden we je pleizier kunnen doen, mijn kind, om je te danken voor je bouquet?" Met een vluchtig kleurtje, zich scherp afteekenend op het marmerwit van de wangen, antwoordde ze. „Als ik durfde!" „Nu, durf maar!" „Ik heb nooit militaire muziek gehoord." „Welnu", hernam de commandant, „dan zul je voor jou alleen een concert hebben!" Hij liet den kapelmeester komen, nam hem ter zijde en verzocht hem eenige vroolijke stuk-
jes te spelen, maar zonder te
veel gerucht, met tempering van het koper. Men droeg het meisje tot vóór het raam der kamer en in een kring geschaard begonnen de muzikanten te spelen Zij waren op de hoogte gesteld en van ganscher harte poogden zij een goed idéé van de bataljonskapel te geven.
Als kleine onwetende, die niets kende, nooit in een groote stad was geweest, voor wie alles nieuw was, luisterde zij met wijd-open oogen, opgetogen naar de middelmatige polka, door het korps geblazen.... De voor anderen doodgewone muziek bracht haar in een soort van ztelsverrukking. „Ben je tevreden?" vroeg de commandant. „O ja", gaf ze ten antwoord, „heel tevreden..." Alsdan werden de orders gegeven. De manschappen stelden zich weder in gelid en de trompetten schetterden. Het bataljon zette zich in beweging. Met beklemd hart zonden de officieren uit de verte een groet aan het kind, dat, gebogen vóór het venster, mijmerend de colonne met de oogen volgde, zóó lang, dat deze niet meer was dan een zwarte stip aan den gezichtseinder van den berg, veerkrachtig door de kleine jagers beklommen. Achter haar, in het half-duister der zaal, leeg nu, bij e wanordelijke tafel snikte de vader....
De kunst-ateliers van J. H. Brom. Het atelier van den meester
De kunst-ateliers van J. H. Brom. Zaal van oude kunstwerken.
De kunst-ateliers van J. H. Brom. Kijkje in de werkplaatsen van graveurs en drijvers
A. Hertogs f, burgemeester van Antwerpen
Pp KUNST'ATgLiERS van J, H, Brom, Een der toonkamers
Mr Joan Bohl. f
Prins en Prinses August Wilhelm van Pruissen
Een boycott van Opstenrijksche waren fe ConstantinopeL
De inval van een kiesrecht-vrouw in het Engelsche Parlement,
A. W. Schutter.
Het „Grand hotel Bellevue" te Arnhem, vóór den brand
De ruïne van het „Grand hotel Bellevue" te Arnhem