Een boek moet geschreven worden door een vent (respectievelijk een wijf) en niet door een letterkundige. Een „richting", die opkomt voor dit inzicht, de richting van het nieuwe maandschrift „Forum" vindt een betrekkelijke verdediging in Den Gulden Winckel" van deze maand en wel in" den niet onbezadigden poëet Mr. J. C. Bloem Hii schrijft 0.a.:
„Wat de Forum-richtintr betreft ™0™ v» / til depersoonhjkheid, de levensinhoud of hol men het noemen wil: het feit dat v.o* v*„ ,' , men is door een vent" er, „/«t et boek geschreven ?iGmand 00it on^end: dan achtte h« b«f .^ m^ «» veel woorden uit, van fïtaS «et tOCh geimPhceerd. Het bezwaar Xd liiker7mnmannen *S alleen' dat soms Se- Sv, } ' <.all
In hetzelfde nummer van „Den Gulden Winckel" knippen we uit een boekbeoordeeling van Anthonie Donker de volgende beschouwing over humor:
„Het kostelijkst product van het beginsel der ordeloosheid, dat zelfs in den chaos der ellendigste tijden, aan het front, op het ziekbed, aan een graf, genesend, opbeurend en versterkend levenselixer is, is de humor. De humor is de drukfout in het boek des levens, en het zou er slecht voor de menschheid uit-2len als de opperste Corrector niet ook op de ernstigste, de somberste bladzijden van dat boek de drukfouten had laten staan. Bet leven schept humor, een hardvochtige humor zonder aanzien van nersoon en omstanriicrhoriisn! zelf humor te scheppen door een scheeve herordening van 's levens gegevens, door de stutten weg te trekken der logica, zwakheden te cursiveeren en wanorde aan te richten in de heilige huisjes, het is maar zelden aan schrijvers gegund. Meestal mislukt het door de opzettelijkheid, en het lampje van wie naar humor speurt in de litteratuur ontdekt minder dan Diogenes met het zijne".
VENTEN EN WIJVEN. "De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad". 's-Hertogenbosch, 25-06-1932, p. 15. Geraadpleegd op Delpher op 06-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010535113:mpeg21:p023
"De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad". 's-Hertogenbosch, 25-06-1932, p. 15. Geraadpleegd op Delpher op 06-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010535113:mpeg21:p023
In de eerste aflevering van „Het Gildeboek" treffen we onder de rubriek „Uit boek en tijdschrift" het volgende lezenswaardige artikel aan over de verhouding van den Lutheraan en die van den Katholiek tegenover de kunst: „KunstundKirch e." Dit „evangelisch" tijdschrift verrast ons ditmaal met een heel bijzonder artikel: „Die neue religiöse Kunst im Lichte reformatorischer Frömmigkeit" van Alfred Wiessenhütter. Met een waarlijk bewonderenswaardige scherpzinnigheid werkt de schrijver zijn eenmaal opgezette stelling uit: de moderne religieuze kunst is in haar expressionisme, als hoogste en meest aanvaarde stijl voor dezen tijd, een gevolg en een triomf van de Reformatie als bepaalde verhouding van mensch tot God. Wat natuurlijk bewezen moet worden en bewezen moet worden als geldend voor Lutheraansche vroomheid alleen. Dit is 0.i., voor wat het laatste betreft, mislukt. Want ook in aestheticis draait na de Hervorming het kompas alle kanten uit, naar gelang de wind van het vrije onderzoek waait en de verbijsterende verwarring toeneemt. De verklaring culmineert dan ook in een uitspraak van Bodensieck: „Man kann die Fragestellung der jüngsten religiösen Kunst nur verstellen im Zusammenhang mit der gewaltigen Erschütterung, die von der expressiven Theologie Karl Barths und seines Kreises ausgeht". Schr. beweert daarom: „Es kann nicht zufallig sein, dass die starksten Krafte, die Nolde, Schmidt-Rottluff, Barlach, Wilhelm Gross u. A. protestantischer Herkunft sind". Eenigen tijd geleden schreven we in het Gildeboek een recensie over het boek van den redacteur van „Kunst und Kirche", Curt Hom, getiteld: „Das Christusbild in der modernen Kunst". We merkten toen op, dat de Christusfiguren van de niet-katholieken Nolde, Gross etc. artistiek sterker waren dan die van de Kath. kunstenaars. Maar we hebben tevens opgemerkt, dat zij ieder van Christus een getourmenteerd ik, een afbeelding van eigen verscheurdheid, van twijfel en ellende gaven, den modernen uit het lood geslagen mensch, een artistiek uitwerksel van het ik.
En waar dit zoo fel beleefd werd, kregen we (materieel) groote kunstwerken, maar geen Christus, geen Godmensen, die de zonden van alle menschen op zich genomen heeft en tevens de vreugde en troost van ieder Christen is. Een en ander past natuurlijk buitengewoon in het theologisch subjectivisme en het godsdienstig nihilisme, waarin de Protestantsche theologie verloopt. Nadere bewijsvoeringen worden niet verder geleverd. Wiessenhütter verklaart als volgt: In onzen modernen tijd wankelen de meest vaststaande waarheden. Van den godsdienst der techniek heeft men zoo onderdehand genoeg. Daar „staat" ook geen zekerheid; wat artistiek en expressief wordt verbeeld in Delaunay's Eiffeltorenschilderij, een geweldig kaartenhuis, dat in elkaar valt. De moderne mensch had meer vertrouwen in deze wonderen der techniek dan in den almachtigen God. Nu toont de kunstenaar in zijn expressionisme het zwakke, het onhoudbare van dit quasi-geloof. En de toepassing? Vóór de Reformatie stond de Kath. Kerk ook als een Eiffeltoren vast en sterk met haar geraamte van „onverwrikbare" waarheden. De nieuwe leer graaft de fundamenten weg, een ineenstorting volgde, enz. De nieuwe expressionistische kunst is „dus" in wezen reformatorisch!!..
„ist gemalte Apokalyptik neu-testamentlicher und reformatorischer Frömmigkeit". Een andere verklaring. Parallel met de ineenstorting der wereld en der waarden overvalt den modernen mensch het gevoel van nietigheid, waardeloosheid, van verdorvenheid van alle menschen en van al het menschelijke.
Bewijs daarvoor: het moderne zelfportret. Als voorbeeld wordt hier het zelfportret van Ludwig Meidner gegeven. „Unstet flackem die Linien und Formen. In den Augen wohnt ein tiefes Erschrecken vor dem Unheimlichen, Ratselhaften des Lebens. Die menschliche Erscheinung ist zusammengeballt, ein Knauel von Angst". Tenslotte is dit onze ware vreeshouding ten opzichte van denGod Rechter, de Almachtige Majesteit. Schrijver gaat dan na, hoe de opeenvolgende generaties na Luther deze reformatorische houding lieten varen, een milderen God gingen uitdenken en uitbeelden, een God van louter Barmhartigheid met als gevolg een glad en zoet stemmingsbeeld. In deze anthropomorphistische denaturaliseering van den geweldigen God gaat het moderne expressionisme weer verandering brengen, naar Luthers gedachte. „Das Gesetzte und Wohltempealerte unserer 400 Jahre alter Kirchlichkeit und Frömmigkeit hat uns nur zu sehr das Leidenschaftliche, das Dynamische (im Sinne von Dynamit),das Ekstatische des lutherischen Kampfes urn Gott vergessen lassen". „Die Gewalt tun, die reiszen es an sich".
De reformatorische geloofsregel: „solurn verbum Dei, sola gratia, sola fides, solus Christus", drijft dit felle expressionisme vanzelf en exclusief bijna naar de uitbeelding van de Christusfiguur. Vooral en bovenal, hoe zou het ook anders, heeft de lijdende Christus hun bijzondere liefde. Daar zit een stuk eigen tijd in. En daar valt niet zooveel op te zeggen. Maar de motiveering wordt weer tot een getuigen. „Nicht der eucharistische Christus der katholischen Kirche, nicht der Wanderlehrer der Aufklarung — der Gekreuzigte ist der Quell lutherischer Glaubenskraft und Glaubensfreudigkeit". Waaruit wel heel duidelijk spreekt de eenzijdigheid en de op den duur onvruchtbare strakheid van de „reformatorische Frömmigkeit".
Toch gaat ook hier de natuur weer boven de leer en wordt het katholieke standpunt weer tamelijk dicht genaderd, want als de schrijver eerst gevraagd heeft: „Was ist der Mensch? Ein Etwas, was Grund had sich zu verhullen und was aus der Hülle bittend zwei leere Hande ausstreckt...." dus, „de mensch volkomen slecht", dan vat hij vervolgens heel zijn betoog weer onder twee verscheidene karakteristieken samen, wanneer hij beweert: „Reformatorische Frömmigkeit gleicht einer Ellipse, die zwei Brennpunkte hat. Der eine Brennpunkt ist die Spannung, der Kampf, der Gegensatz zwischen Gott und Welt und Mensch und die dadurch bedingte ewige Unruhe. Den anderen Brennpunkt spricht das neue Testament so aus: „Nun wir denn sind gerecht geworden durch den Glauben, so haben wir Frieden mit Gott" und nicht bloss mit Gott, sondern auch mit uns selbst und mit der Welt". Dat de kunst thans nog maar alleen in het eerste brandpunt zit, ligt aan het overgangskarakter van onzen tijd.
Wat er echter practisch voor verschil bestaat met een katholiek kunstenaar, die ook in zijn leven verschillende identieke stadia doormaakt, al verantwoordt hij die theologisch een beetje anders, ontgaat ons ten eenenmale. Door den Eucharistischen Christus is bij ons het evenwicht harmonischer en dus het expressionisme harmonischer en gematigder en derhalve objectiever, dus juister. Wat aan een kunst voor allen en voor alle tijden zeer zeker ten goede komt, zooals de geschiedenis overtuigend bewijst.
KUNST EN KERK.. "De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad". 's-Hertogenbosch, 25-06-1932, p. 15. Geraadpleegd op Delpher op 06-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010535113:mpeg21:p023
Over dit belangrijke onderwerp een pittig artikel van Prof. Raaymakers S.J. in het Sociaal nummer van de „Vox Carolina" van 10 Juni, waaraan we ontleenen:
„Negatieve idealisten doen veel kwaad, doordat zij menigeen, die verdienstelijk werk zou kunnen verrichten bij den opbouw eener nieuwe sociale orde, daarvan afschrikken door hun zure critiek en hun bijtend sarcasme. Edele naturen zijn daar dikwijls zeer gevoelig voor en kruipen dan terug in hun schulp. Niet iedereen is een krachtmensch zooals Brüning de gewezen Rijkskanselier.
Positieve idealisten weten wat zij willen. Ook zij zijn niet tevreden met het bestaande, omdat zij in hun geest een ideaal hebben, waaraan de werkelijkheid niet of niet geheel beantwoordt. Is dat ideaal enkel een hersenschim, dan zijn het geen idealisten maar fantasten. Is het bereikbaar, althans benaderbaar, dan moeten zij, om iets positiefs tot stand te brengen — en waarvoor dient anders een ideaal? —> tegelijkertijd ook realisten zijn, d.w.z. zij moeten rekening houden met de werkelijkheid, met de werkelijke menschelijke natuur, zooals die is na den zondeval, met omstandigheden van plaats en tijd, met den stand der techniek, met verkregen rechten, ja zelfs, o gruwel! met de politieke constellatie, met het practisch bereikbare.
Graaf de Saint-Simon met zijn „Nouveau Christianisme" was een fantast. Dr. Nolens was een realistische idealist. Wie van die twee het meest heeft bijgedragen tot verbetering van het lot der arbeiders, is niet twijfelachtig.
Voor ons katholieken is het na te streven ideaal op sociaal gebied duidelijk omschreven door de leer der Kerk, ln Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. Ook de middelen, om dat ideaal practisch te verwezenlijken, zijn daarin aangewezen. Een heerlijke synthese van idealisme en realisme. Wie Roomscher wil zijn, dan de Kerk, kan groote stappen zetten, maar in welke richting?"
IDEALISME EN REALISME. "De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad". 's-Hertogenbosch, 25-06-1932, p. 15. Geraadpleegd op Delpher op 06-04-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010535113:mpeg21:p023