stelt zich bij dezen aan u voor. Het heeft menigeen reeds lang verwonderd dat deze residentie nog door geen enkel periodiek vertegenwoordigd werd. Ofschoon wij in 't algemeen de meening zijn toegedaan, dat in Indië stellig niet te weinig dag- en weekbladen verschijnen, gelooven wij toch dat thans de tijd gekomen is om ook hier een eenvoudig weekblad te doen uitkomen. Was „de Preanger" steeds een belangrijk en schoon gedeelte van Insulinde, in de laatste jaren werd het steeds meer blijkbaar dat dit gewest het belangrijkste deel zal worden. De toenemende landbouwindustrie in de negen assistent-residentiën, het zoowel door het heerlijke klimaat als door de verbeterde reisgelegenheid steeds toenemende vreemdelingen-verkeer (vooral te Garoet en Soekaboemi), de snelle ontwikkeling van de hoofdplaats Bandoeng van wege het toestroomen van meerdere ambtenaren en particulieren; de vestiging van het kampement te Tjimahi, waar binnen eenige maanden een troepenmacht van een 3 a 4000 man zal gelegerd zijn •— alles geeft recht tot het vermoeden dat „de Preanger" binnen korten tijd een centrum van Europeesche samenleving en ontwikkeling zal zijn als geen ander gewest in NederlandschIndië. Een en aDder geeft ons de overtuiging dat ons blad verschijnt op een zeer gescbikten tijd. Natuurlijk zal de inhoud, naar wij hopen, voor een groot deel bestaan uit advertentie», voor welker toezending wij ons aanbevolen houden. Wat den overigen inhoud betreft, is het voor een klein weekblad niet altijd gemakkelijk, uit te maken wat van dien grooten berg berichten, die iedere week oprijst, moet afgenomen worden om den lezer aan te bieden. Men zit daar wel eens mee verlegen en daarom is het goed, al dadelijk onze taak af te bakenen. Het spreekt van zelf dat wij ons bevlijtigen zullen om geregeld te verzamelen het Preanger nieuws, daarbij tevens opnemende opgaven en niededeeliiigeii, die voor de Preanger-menschen geriefelijk kunnen zijn, terwijl wij onzen best zullen doen, dit schoone gewest meer buitenaf bekend te maken en steeds met ijver Preanger-belangen voor te staan. Daar bijna ieder in Indië zijn dagblad heeft, loopt een weekblad gevaar van met zijn nieuws achteraan te komen hinken. Daarom zullen wij het nieuws uit Europa en Nederland overlaten aan de dagbladen en ons beperken tot een kort maar volledig overzicht van het Indische nieuws. Hierbij wenschen wij nog in een overzicht van de Indische pers eene rubriek te voegen, waarin een beknopt
resumé gegeven wordt van de belangrijkste artikelen, die in de Indische tijdschriften en bladen verschijnen. Bij dat alles zal het ons te doen zijn niet om een bijzonder licht te doen schijnen over „alles en nog wat", niet om personen te laken of te prijzen, maar alleen om even onpartijdig als volledig te zijn. Het komt ons voor dat, bij zoodanige opvatting van onze taak, de inhoud van ons blaadje een eigenaardige waarde kan hebben voor den lezer als review. Ook voor lezers buiten „de Preanger", b. v. voor hen, die geen tijd hebben om geregeld couranten te lezen, omdat zij nu zonder veel moeite in een paar minuten kunnen weten wat in de afgeloopen week in Indië gebeurd en gezegd is. Voor den bloei van ons blad hopen wij dat het aldus ook buiten ons gewest ingang zal vinden en daarom waagden wij het, aan het hoofd er van de woorden te plaatsen: „tevens Mailcourant", omdat wij hopen dat oudgasten in Holland, voor zoover zij, na 't wielrijden en andere heerlijkheden, nog tijd beschikbaar hebben, zich van ons blad zullen bedienen om zich op de hoogte te houden van het Indische nieuws. De bladen in Nederland geven dat nieuws zóó oppervlakkig en nemen zóó weinig notitie van de uitingen der Indische pers, dat De Preangerbode daar bij menigeen een welkome gast kan worden Met het oog hierop wenschen wij ons blad dan ook op ruime schaal in 't Moederland te verspreiden. Wij eindigen met de mededeeling dat dit weekblad, als het goed ontvangen wordt, zoo spoedig mogelijk óf tweemaal 's weeks óf in dubbel formaat zal verschijnen* Den lezer heil! De Administratie en de Redactie.
DE PREANGERBODE, Nieuws- en Advertentieblad voor de Preanger-Regentschappen.. "De Preanger-bode". Bandoeng, 06-07-1896. Geraadpleegd op Delpher op 29-03-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000122121:mpeg21:p001
Wij vangen ons overzicht aan met eene nieuwe periode in Atjeh in de hoop dat dit gewest in de eerste jaren minder van zich zal doen spreken. De Regeeringscommissaris Vetter is terug, tot Gouverneur is benoemd de generaal de Moulin; de uitrukkende kolonnes worden te nauwernood meer beschoten en de kracht van den vijand schijnt voorloopig gebroken. Is de opinie dientengevolge vrij algemeen gunstig over Atjeh en de leiding van den generaal Vetter, gelijk over de benoeming van zijn opvolger, een beminde persoonlijkheid in 't leger, er zijn ook andere meeningen. De oorlogscorrespondent van de Locomotief schrijft o. a. het volgende: „Zoolang wij niet in Lepong zijn geweest, wat het eigenlijk gebied van onzen vroegeren Panglima Prang Besar is, hebben wij dezen nog niet getuchtigd. Het platschieten van zijn huis te Pakan Badak zal hem waarschijnlijk vrij koud gelaten hebben,
daar hij plank noch spijker van het geheele gebouw heeft bekostigd. Alles was door ons geleverd en betaald. Wij hebben dus onze eigen bezittingen vernield, wat ook te begrijpen is in een oorlog, gevoerd tegen onderdanen, door onszelf van de beste vuurwapenen voorzien. Het een is in volkomen overeenstemming met het ander Wat het mooie huis in Lam Pisang betreft, ook hiervan is door den man nog geen cent betaald aan de Chineezen te Oleh-leh en Kotaradja, die het voor hem bouwden. Eigenlijk hebben deze arme menschen dus de oorlogskosten voor Oemar betaald, wat ook alweder geheel in het kader past van de wijze, waarop hier tegenwoordig oorlog wordt gevoerd. Wij straffen „kwaadwilligen", en verbranden daarom de huizen en kampongs der rustige bevolking, die niets met de „prang" heeft te maken en er ook niets mede te maken wil hebben. De Chineezen te Kotaradja betalen voor Oemar, de bevolking voor de „kwaadwilligen", en daarmede is aan de eer voldaan. Niets is eenvoudiger dan deze nieuwerwetsche manier van pacificeeren. Van de in bruikleen gegeven geweren zijn meer dan een dozijn terug. Bij het nemen van Lam Pisang was het aantal reeds meer dan vijf en sedert is het tot meer dan twaalf geklommen. Zoo voortgaand zal het nog wel eenige jaren duren vóór de ongeveer twee duizend geweren, die wij den vijand cadeau gaven, weder in onze handen zijn. Vindt de benoeming van generaal de Moulin bij de meesten toejuiching, even algemeen is de appreciatie van den Luit. Kol. J. R. van Heutz. In een ingezonden stuk in de Locomotief, „Specialiteiten in het Indische Leger", wordt betoogd, dat overal elders specialiteiten gewaardeerd en benuttigd worden. Niet aldus in 't Indische Leger. „Zoo vroeg eenige jaren geleden een cavalerie-officier detacheering aan bij de rijschool in Nederland. Als antwoord hierop werd hem toegevoegd dat hij dan een spe cialiteit in 't rijden zou worden en dat wapen der cavalerie in Indië te klein is om er nog specialiteiten op na te houden ook." Zoo is ; t ook met van Heutz gegaan, die zich met zijn helderen blik boven de sleur verheft. Als jong luitenant blonk hij reeds uit. Als chef van den generalen staf in Atjeh 4888/89 werd hij door generaal van Teyn bewonderd. Men denke aan de verkenning en bezetting van Kota Toewankoe. Zwaar gewond en wonderlijk snel hersteld, leidde hij de expeditie tegen Edi (1890). Kol. Pompe van Meerdervoort liet hem links liggen, waarna hij zich van het Atjehsche oorlogstooneel terugtrok. Na zijne bevordering bij keuze liet men hem stilletjes bij den troep dienen, ook nadat hij nu onlangs van de Oostkust naar Atjeh was overgeplaatst. Van Heutz was, volgens schijver, de beste candidaat voor gouverneur van Atjeh. Aangewezen door dr. Snouck Hurgonje en den heer Scherer, met recht een kennis
van zaken als blijkt in de brochure: De Onderwerping van Atjeh, was hij, meer dan generaal De Moulin, die Atjeh slechts eenzijdig als artillerie-commandant heeft leeren kennen, the right man. „Nu is er," zegt schr., „nog één wijze van redres: Laat men den miskenden van Heutz chef van den Staf te Atjeh maken als aanstaand opvolger van den pas benoemden Gouverneur." In de Samarang-Courant trachtte M. in een hoofdartikel aan te toonen dat nu jaren lang de artillerie het bevoorrechte wapen was en zeer vaak ten onrechte. Thans is 't dit met eenige schakeering. Een infanterist legercommandant (een groote zeldzaamheid) en een artillerist Gouverneur van Atjeh (wat nog nooit gebeurd is). * * * Een paar belangrijke rechtszaken nemen dagelijks een aantal kolommen van de dagbladen in beslag Eerst bet Polamandrama; Ruim een jaar geleden werd te Polaman eene dame op de schandelijkste manier vermoord; de dader, een inlander, werd gevonden en bekende. Daar evenwel vermoedens waren gerezen van medeplichtigheid van Europeeschen kant, was het de moeilijke taak van den rechter om deze zaak tot klaarheid te brengen. Het publiek volgde het geding als of't een moeilijk op telossen puzzle ware, koos nu eens voor deze, dan voor gene partij en zou 't oordeel van den rechter wel hebben willen vooruitloopen. Dit oordeel uitte zich in de algeheele vrijspaak van den Europeeschen medebeklaagde. Overigens is deze zaak, waarvan het onderzoek tegen den inlandschen beklaagde nog wordt voortgezet, belangrijk, omdat zij ons leert hoe soms in de Indische binnenlanden vicieuse toestanden ontstaan als Westersche en Oostersche verdorvenheid elkander de hand reiken. Het blijkt ook dat op vele getuigenissen, niettegenstaande den eed, hoegenaamd niet vertrouwd kan worden. Hetzelfde blijkt in de zaak van de valsche bankbiljetten , bij wier behandeling reeds een getuige gevangen genomen werd. HH. rechters in Soerabaia behoeven hun ambt niet als een sinecure aan te merken. Het lid v/d. Raad van Indië, J. Muilemeister, verlaat na zich van verschillende opdrachten gekweten te hebben, 'slands dienst en repatrieert. Dat laatste wordt er met nadruk bij gevoegd, omdat steeds meer hooge ambtenaren zich in Indië blijvend vestigen, niet ten onrechte vreezende, dat oude boomen na 't overplanten spoedig dood gaan. Als opvolger van den heer Mullemeister is benoemd de heer J. C. Th. Kroesen, resident te Soerabaia. * * * Java heeft gedurende eenige weken hoog bezoek van den koning van Siam, gemalin, kroonprins en gevolg van een kleine 200 personen. Z. M. heet Paramindr Maha Chulalonkorn, is 40 September 4853 te Bangkok geboren, dus 43 jaren oud, en huwde Prinses Sawang Waddhana, geb. 40 September 4862. Hun zoon, de erfprins, heet Maha Vaj 1 " ravudh, werd 4 Januari 4881 geboren e u is dus een knaap van 15-jarigen leeftijd.
Dit is het tweede hezoek waarmede Z. M. onze veste vereert, zijnde het eerste geweest in 1871, toen Z. M. hier van 26 Maart tot 6 April vertoefde. In herinnering aan dat bezoek schonk Z. M. aan de stad Batavia den koperen olifant, welke als monument prijkt vóór het museum op het Koningsplein, benevens de koninklijke gift van ƒ10000 — ten behoeve van onbemiddelde leerlingen van goeden aanleg, en eene rijke gift ten behoeve der armen. Als Secretaris, om Z. M. gedurende het gansche verblijf op Java te vergezellen, is door de Regeering aangewezen de heer A J. Baron Quarles de Quarles, Secretaris van Soerakarta. Z. M. toont zich in zijn land een voorstander van vooruitgang en is er hier op uit, alle nuttige inrichtingen nauwkeurig te bezichtigen. Hij heelt een levendig, zenuwachtig, inne mend uiterlijk, evenals zijne gemalin, en doet denken aan een Japaneesch type. Even mild in ridderordes als in betaling (waarvan niet zelden misbruik wordt ge maakt) is hij op Java, waar hij misschien een millioen laat zitten, een zeer gewilde verschijning. Achtereenvolgens werden bezocht Ba tavia, Buitenzorg, Garoet, Soekaboemi en Bandoen», thans zijn Djokja, Solo, Soerabaia en Semarang aan de beurt. Misschien stelt men belang in de feesten der hofstad Djokja. Het programma luidt als volgt: Schema van het ceremonieel voor de ontvangst van den Koning van Siam te Djokja 1. Z. M. komt des n. m om 4 uur te Toegoe aan en wordt met een kratonrijtuig, geëscorteerd door zeven man van de dragondérslijfwacht, afgehaald. Aan het station bevinden zich de Rijksbestuurder met de Boepatis in geborduurc kostuum, Kangdjeng Goesti Pangeran Adipati Ario Mangkoeboemi en Pangeran Hangabehi in uniform. 2. Om zeven uur 's avonds leggen Z H. de Sultan, de ratoe en de kroonprins, vergezeld van de pangerans, die een uniform hebben, de ratoe Pembajoen en Raden Ajoe Mangkoeboemi, een bezoek af bij HH MM. den Koning en de Koningin van Siam. Z. H. de Sultan is in uniform gekleed. 3. Den zelfden avond gaan de Koning en de Koningin van Siam naar den kra ton. De Sultan is gekleed in nationaal kostuum, de pangerans in uniform en nationale kleederdracht. De Resident gaat vooruit naar den kraton Serirnpidans. 4. Den volgenden avond thé dansant in de Societeit, waar de Sultan ook zal zijn, gekleed in klein tenue. 5. Des namiddags van den derden dag gaat de Koning van Siam naar den kraton, om gezamenlijk met den Sultan zich naar de zuider aloon-aloon te begeven, ten einde de parade van de pradjoerits van den Sultan bij te wonen. 6. Gedurende het verblijf van den Koning van Siam te Djokja zullen hofrijtuigen te zijner beschikking staan. 7. Plaatsing der zetels in den kraton: Midden sofa v,d Koning en den Sultan Rechter » - » Koningin en de Ratoe. Linker „ » Kroonprins van Siam en den Resident.
Overzicht der week.. "De Preanger-bode". Bandoeng, 06-07-1896. Geraadpleegd op Delpher op 29-03-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000122121:mpeg21:p001