Philo Bregstein en Salvador Bloemgarten: Herinnering aan Joods Amsterdam Uitg.: De Bezige Bij, Amsterdam Prijs: ƒ 42,50 Na het lezen van Herinnering aan Joods Amsterdam, samengesteld door Philo Bregstein en Salvador Bloemgarten, heb ik zitten huilen. Kaleidoscopisch zien we voor een ogenblik weer het vooroorlogse joodse Amsterdam, in al zijn verscheurdheid gestaag omhoog worstelend totdat Hitier kwam. Het boek is een nevenprodukt van de film Op zoek naar Joods Amsterdam, gemaakt voor het 700-jarig bestaan van de stad. Philo Bregstein heeft voor die film een aantal nabestaanden geïnterviewd, daarbij geadviseerd door Salvador Bloemgarten. Slechts een klein gedeelte ervan kon worden gebruikt, maar, schrijft Bregstein in zijn Verantwoording, 'Salvador Bloemgarten en ik (waren) ervan overtuigd, dat deze herinneringen uit de eerste hand van een telkens kleiner wordende groep 'overlevenden' toegankelijk moesten worden gemaakt voor een lezerspubliek.' Daarmee hebben zij goed werk verricht. Het gesprokene is nu omgezet in het geschreven woord, dat blijvend is, en dat, zoals zij schrijven, een licht werpt 'op vele onbekende aspecten van het vooroorlogse joodse Amsterdam.' In een uitvoerige inleiding schept Salvador Bloemgarten de wordingsgeschiedenis van joods Amsterdam sinds de komst van Portugese en Spaanse Joden omstreeks 1600, die van de Hoogduitse sinds 1620. Hij beschrijft hun politieke bevrijding door de Bataafse Republiek, waar zij van 'natie in de natie' tot Nederlandse staatsburgers werden. Mozes Asser, voorzitter van de verlicht-joodse patriottenclub Felix Liberta, schreef over de toestand van de Joden tijdens de Zevende Republiek: 'Men heeft ons vergund in het openbaar psalmen te zingen en van honger te sterven.' Hun gelijkberechtiging (niet 'gelijkschakeling', afschuwelijk woord, gebruikt door een geinterviewde op pag. 284) 'neemt niet weg dat de overgrote meerderheid van de Amsterdamse Joden voorlopig in schrikbarende armoede blijft leven.' Wat hen gelukkig niet tot lompenproletariaat (onderwereld) heeft gemaakt, een ten onrechte in de Inleiding gebezigde uitdrukking. Die armoede is hen blijven vergezellen, en het is geen wonder, dat hun emancipatie grotendeels samenvalt en verweven is met de socialistische arbeiders beweging. En terecht staat Bloemgarten stil bij de stichting van de Algemene Nederlandse Diamantslijpers Bond (ANDB) in 1894 door Henri Polak, door de joodse arbeiders als een messias geëerd. Hoe belangrijk verder de Inleiding ook is, het wezenlijke deel van het boek wordt gevormd door de talrijke interviews, die in alle opzichten authentiek, ontroerend, hartverscheurend zijn. Terecht zijn ze 'in mootjes gehakt' om het geheel overzichtelijker te maken, en in de hoofdstukken: Beroepen, Godsdienst, De oude Jodenbuurt, Emancipatie, Joden en Christenen, Uitgaansleven en ontspanning, Immigratie, Zionisme, Oorlog, terwijl elk hoofdstuk weer onderverdeeld is. Het eerste betreft de straathandel,
door de allerarmsten uitgeoefend, die een afzonderlijke kaste vormden. Mijn vader, een schoenmaker, sprak met minachting over 'voddensougers', en zo werd de hele joodse 'gemeenschap' verscheurd door onderlinge tegenstellingen en belangen. Het nam niet weg, dat de Jodenhoek, de befaamde zondagsmarkt, populair was bij iedereen, zoals men kan lezen in de fascinerende verklaringen van de geinterviewden Barend de Hond en Loe Lap. Die straathandel stond trouwens aan de wieg van tal van beroepen. Zo schildert Simon Emmering de wording van zijn vader tot (beroemd) antikwaar; de faam van Aalsvel als zuurman wordt verteld door zijn zoon Emmanuel; de textielhandel vond zijn oorsprong op straat; en de Bijenkorf ontstond uit een kleine manufacturenzaak op de Nieuwendijk, zoals H. Isaac, kleinzoon van de stichter, weet te verhalen. De geïnterviewden in het hoofdstuk Ambachten zijn vaak de kinderen van sigarenmakers. Ofschoon in de Inleiding niet genoemd, vormden zij door hun armoe een zeer strijdbare groep arbeiders die uitzwermden over de wereld. Zo werd Samuel Gomperts (een geïnterviewde vermeldt het) oprichter van de American Federation of Labor (AFL), terwijl een zekere Mr. Santen (broer van mijn grootvader) secretaris werd van de British Cigarmakers Union. Tegenover de sigarenmakers vormden de diamantslijpers een bevoorrechte groep arbeiders, op hun beurt evenwel bijzonder gevoelig voor wisselingen in de conjunctuur, en vaak geteisterd door werkloosheid. Met trots wordt melding gemaakt van de plaats, die artsen en advocaten hebben ingenomen in het joodse leven, waarbij de nadruk wordt gelegd op de invloed van Dr. Sarphati en Mr. Wertheim op het openbaar leven. De namen van beroemde strafpleiters en geneeskundigen komen we helaas niet te.gen, en toch waren zij soms pioniers, zoals op het gebied van de sexuele hervorming. Daar waar over Godsdienst wordt gesproken, valt vooral de traditie op: "De vrijdagavond, dat ging helemaal buiten de sfeer van de religie om, dat was een sociale aangelegenheid, hè." (pag. 76) Maar voor het eerst wordt ook duidelijk gezegd: „Ik durf te beweren dat negentig percent van de Amsterdamse Joden a-religieus was." (pag. 80). Eduard Charles Keizer herinnert zich beroemde voorzangers, Max Reisel vertelt over zijn vader Wolf Reisel, chazan in de nieuwe Synagoge en daarvoor speciaal uit Berlijn gehaald. Filantropie De Portugese David Ricardo ontrafelt de vermeende 'lotsverbondenheid' van alle Joden. "Als een Portugees aan een Todisko (hoogduitse Jood) moest worden uitgehuwelijkt, (was) dat een familiair ongeluk." Op zijn beurt verbergt Loe Lap niet, dat de Hoogduitse Joden de Portugese uitscholden voor "mesjoggene Portugees". En de Zionistenbond besloot in 1907, dat Joden, die met niet-joodse vrouwen waren getrouwd, geen functie mochten bekleden. Het ergst waren de Oostjoodse immigranten eraan toe. "Ik ben in het water gevallen, en er was een man die me heeft gered, (...) hij zei: 'Als ik had geweten dat je een Rus was, had ik je laten verzuipen.' Dat was gewoon iemand uit de Jodenbuurt." (blz. 253) Interessante gegevens omtrent de legendarische rabbijn De Hond vindt men in uitspraken van de (in 1976 overleden) rabbijn Jacob Soetendorp; terwijl Eduard Charles Keizer uitvoerig spreekt over het ritueel slachten. Wie belang stelt in het joods onderwijs, vindt tal van gegevens. Zelf behorende tot de 90% a-religieuzen, kan ik slechts onderstrepen wat Loe Lap over het leren van het Hebreeuws vertelt: "Je dreunde het in je hoofd op, maar het had geen enkele inhoud voor je." Wat weer zal worden ontkend door hen, die er later - in Israël - bij het leren van Ivriet gebruik van konden maken.
Natuurlijk komt ook de filantropie, befaamd o.m. door de Joodse Invalide (waaronder Mozes Heiman Gans, zoon van de vroegere directeur, verhaalt), ter sprake. Steeds weer komt men de verzuchting tegen: 'Ik heb het als zéér vernederend ervaren', en zelfs rabbijn Soetendorp vertelt: 'Ja, ik ben erg veel in opstand gekomen tegen de georganiseerde weldadigheid in mijn jeugd, en ik denk eigenlijk wel de meeste jongens.' Al is het Amsterdamse gemeentebestuur erin geslaagd, de voormalige Jodenbuurt te vervangen door een surrealistische nachtmerrie zonder weerga in de wereld, dan nog is er geen aanleiding het verleden van die buurt te idealiseren. "Grote armoe, hofjes met éénkamerwoningen." "In die woningen waren geen keukens. Het waren enkel kamers met een bedstee erin, en boven die bedsteden waren dan nog dikwijls hokken, daar kon je met een ladder bijkomen." Elke naar emancipatie strevende Jood had destijds als eerste verlangen: zo gauw mogelijk een woning vinden buiten het ghetto, meestal in Amsterdam-Oost of Zuid, soms in Noord, waar ik op het jodenschooltje was. Natuurlijk bestond er een eigen folklore, en prachtig is de zegening van de sjnorrer Japie Schapendief voor wie hem een aalmoes gaven: "Mazzel en broche voor je hele misjpoche." Men leze evenwel ook de getuigenis van de bekende dokter Ben Sajet over de ghetto-bevolking: "Het bleek dat bijna iedereen trachoom had of had gehad, dat kon je aan de littekens zien." Armoe De emancipatie van de massa van Amsterdamse Joden heeft zich voornamelijk voltrokken door hun binding aan de socialistische beweging, in de eerste plaats de SDAP, het NW, de AJC. Hoezeer de AJC van betekenis is geweest voor de 'doorbraak' naar gemengde huwelijken, werd me pas duidelijk na
lezing van wat Joop Voet erover verklaart (blz. 162). Zo is het ook in mijn familie begonnen. Bertha Koster-Barnstein schetst het werk van haar vader Heiman Barnstein, voorzitter van Handwerkersvriendenkring, zijn bemoeienissen voor het ziekenfonds 'Ziekenzorg', de door de ANDB gewekte belangstelling voor literatuur en de hartstocht voor muziek onder de Joden. "Wist je dat er een Joodse symfonie is? Dat is de vijfde van Beethoven, dat noemden ze de 'Joodse symfonie." (pag. 152) Die wetenschap zou Witold Gombrowicz deugd hebben gedaan, te oordelen naar zijn sympathieke vergelijking (in zijn Dagboek) tussen de 'onaangepastheid' van Beethoven en die van „de"Joden. En bij muziek aangeland, ook Jo Juda doet zijn verhaal, dat we reeds kennen uit zijn autobiografie. De hoogleraar Joannes Juda Groen schildert de verbittering van zijn vader, omdat de "rabbijnen niets, maar dan ook niets deden om de joodse werkgevers tot wat meer medeleven met hun joodse arbeiders te brengen." Zijn vader werd socialist, zij het niet pijnloos. "Toen m'n vader genoodzaakt was op sjabbes te werken, en hij dus met de godsdienst moest breken.., stonden ze hem met stenen op te wachten." Ali Suurhoff-Voorzanger, weduwe van de minister, vertelt dat haar grootvader, toen haar broertje niet werd besneden, verklaarde: "Geen onbesneden Jood zal met de naam Mozes Voorzanger door het leven gaan. En als ik ooit moet bedelen loop ik jullie deur voorbij." Op zijn beurt getuigt rabbijn Soetendorp: "Ik heb een tijd meegemaakt dat we inderdaad helemaal niet te eten hadden, en dan ga je je natuurlijk wel afvragen: Kan dat, kan zoiets getolereerd worden? Dat de één zoveel heeft, en de ander zo weinig?" (pag. 170) Desondanks, verklaart Simon Gosselaar op blz. 172, stonden 'de rijke liberale Joden zeer afwijzend tegenover de socialistische ideeen die door het overgrote deel van het Amsterdamse Joodse proletariaat werden aangehangen,' en hun actieve belangstelling voor de liberale Vrijheidsbond en de VrijzinnigDemocraten was geenszins toevallig Dat het antisemitisme ook in Amsterdam niet onbekend was, lees je in bijna elk interview. „Je werd uitgescholden voor 'Jood' als je langs de straat liep"... Want: „De Joden hadden Jezus gekruisigd." Hoe verziekend een dergelijke 'beschuldiging' werkt toont een niet minder waanzinnig tegen-versje aan: „Zeven spijkers, zeven krammen, daar hebben we Jezus aan opgehangen." (blz. 191) Ook het antisemitisme onder sommige leraren op school was helaas waar (blz. 191,192). En daarmee komt het 'fatsoenlijke antisemitisme' om de hoek kijken: het sluiten van universitaire disputen, de Grote Club, Trianon enz. voor Joden. Ook onder die laatsten heerste er allesbehalve verdraagzaamheid: „Vooral onder de ghetto-Joden was het verschrikkelijk, als een dochter met een goj trouwde, of een zoon met een sjikse." (bl. 212). Uitvoerig verhalen Jo Juda, Sylvain Poons, Hermine Heyermans van 'Uitgaansleven en ontspanning'; verklaringen die veelal anecdotisch zijn. Dit geldt ook voor het hoofdstuk Lichte Muze, maar boeiend is zeker wat Barend Kroonenberg, zoon van de stichter van het voormalige Tip Top Theater in de Jodenbreestraat, vertelt: „In een week draaiden we een
joodse film getiteld Jiddel met een fiddel, een Poolse film. In die week zat er een vrouw in de zaal die voor het eerst naar de bioscoop ging. Zij was Poolse, ze hoorde Pools praten op het filmdoek en in de pauze kwam ze naar me toe en vroeg: „Mijnheer Kroonenberg, zou u mij een plezier willen doen?" Ik zeg: 'En dat is?' 'Ik wil zo graag even met ze sjmoezen.' (p.237). Sport: turnen, boksen, voetbal, ontbreekt evenmin. Joël Cosman, zelf eens bokser, vertelt: 'In die tijd werd de bokssport voornamelijk beoefend door arme jongens. (...) Voordat ze een wedstrijd moesten boksen, zocht ik vaak een beetje bemiddelde mensen op, waar de jongens dan een paar dagen voor de wedstrijd konden komen eten om een beetje op kracht te komen.' En met trots voegt hij eraan toe: „We hebben één jaar alle kampioenen van Nederland gehad, in alle gewichtsklassen." Uitvoerig schildert Werner Cahn, in 1934 door de uitgever Landshoff geëngageerd voor de zg. emigranten-literatuur, zijn werk in Nederland, waarbij hij schrijvers als Joseph Roth, Fritz Heymann, Erich Kuttner, Konrad Merz, Klaus Mann, ontmoet. Prof. Levenbach herinnert zich de komst van Sinzheimer, de grote man van het arbeidsrecht, Eduard Charles Keizer laakt het ontstaan van Westerbork: „De meeste Duitsers mochten het land niet in, die kwamen in Westerbork. Dat was eigenlijk oorspronkelijk een opvangcentrum voor de Duitse Joden." Het is niet doenlijk, uitvoerig op alle onderwerpen, zoals: Zionisme, strijd tegen de NSB, in te gaan voorzover zij niet speciaal op Amsterdam betrekking hebben, al geeft geïnterviewde Nathan Stodel een levendig beeld van 'knokpartijen' en vergist hij zich als hij de SPD in plaats van de links-socialistische Sozialistische Arbeiter
Partei noemt, wanneer hij over de overval op een Larense conferentie, en de uitlevering van vier jonge Duitse revolutionnairen aan Hitier spreekt. Wat over de jaren 1940-1945 wordt meegedeeld, is slechts een zwakke weergave van de verschrikkingen tijdens de bezetting. Prof. Kisch vertelt van zijn laatste (moedige) optreden als docent, Joël Cosman getuigt op indrukwekkende wijze van zijn strijd tegen de terreur van NSB'ers in de jodenbuurt. „In zekere zin was die joodse knokploeg de eerste die daadwerkelijk in verzet kwam. „Wat erop volgde, de razzia's door de Grünen, verhaald door Barend de Hond en Barend Kroonenberg, is maar al te bekend. De niet-joodse Carel Reijnders, die altijd in de jodenbuurt heeft gewoond, herinnert zich: 'Wij woonden in de jaren dertig boven de familie Velleman, die een broodjeszaak
op het Rembrandtplein had. Die man had een zwakzinnige zoon die iedere ochtend door de knecht naar een werkplaats voor zwakbegaafden werd gebracht. Toen die jongen op de dag door de Duitsers is opgehaald is die knecht meegegaan. En de ouders zaten uit te kijken naar de dag dat zij óók zouden worden herenigd. Ze dachten gewoon dat ze te werk gesteld zouden worden in Duitsland, en dat ze het waarschijnlijk niet zo goed zouden hebben; maar ze verwachtten helemaal niet dat ze regelrecht naar de gaskamers zouden worden gebracht." Illusies Zo was het. Voor mij ligt een brief van mijn vader uit Westerbork, waarin hij schrijft: „Ik kom deze moeilijke tijd absoluut door al is het om de bliksem geen pleziertje. „En mijn moeder antwoordt in een brief die hem niet meer bereikte: „Hou je tog ten allen tijde flink ,taai en sterk lieve man doe het voor mij en voor de kinderen, en ben je weer eens ten goede terug, dan zul je me dankbaar zijn dat je alles getrotseerd hebt" enz. Op zijn beurt laat mijn broer Maurits uit Westerbork weten: „ik zal mijn best doen om moeder en vader nog op te sporen, mocht het toeval meewerken dan zal ik ze namens jullie de verzekering geven dat als zij nog eens terugkomen, wij gezamenlijk weer alles op pooten zullen zetten." Van al die illusies bleef niets over, zoals in 1945 al spoedig bleek, en waarvan de laatste interviews getuigen. „Bij een aantal jongens en zeker ook bij mij leefde het besef, een stuk van het leven van anderen gestolen te hebben. Jij had het overleefd en de anderen niet. Je had een schuldgevoel dat je er doorheen gekomen was." (bl. 325) De gedachte, met je eigen leven een stuk van het leven van de anderen
te hebben gestolen, was een traumatische reactie van de meeste overlevenden. In werkelijkheid waren het de nazis, die het 'leven van anderen' hebben geroofd, en hun massamoord op de Amsterdamse Joden vormt 'slechts' één percent van de zes miljoen vermoorden in Europa. Juist om die verschrikkelijke aantallen was het zo moeilijk te rouwen, te begrijpen wat er was gebeurd, want wat betekende een enkeling, een familie in het raam van het geheel? En terwijl de overlevenden daaronder gebukt bleven gaan, richtte het geamputeerde Amsterdam zich op. Dat zij thans voor het eerst zo duidelijk hebben gesproken is een daad van rechtvaardigheid en pieteit. Want het waren de Joden die Amsterdam zijn lievelingsnaam hebben gegeven: Mokum. SAL SANTEN
s « O i* ê— c 'Z =» S £5 aë