De Volkskrant

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    Kunst In het Concertgebouw woedt veldslag rond pianoseries

    Van onze verslaggever

    AMSTERDAM — In de Amsterdamse Grote Zaal werd zondagmiddag de pianist Martijn van den Hoek de Nederlandse Muziekprijs deelachtig. WVC-ambtenaar J.Riezenkamp reikte Van den Hoek de onderscheiding uit na afloop van een weinig opzienbarend recital (met Bach/Busoni, Beethoven, Bartók en Liszt). Het optreden werd bijgewoond door 550 belangstellenden. In dezelfde Grote Zaal was dezelfde avond de pianist Ivo Pogorelich te horen onder tegengestelde omstandigheden. Volle zaal, extra stoelen op het podium, huilende fans, een stand met Pogo-posters met king size-sigarettenmerk.- De onverwachte smaak — ook bekend van motoren met zijspan. Pogorelich' Concertmanager Marco Riaskoff maakte voor het optreden bekend dat hij voor het seizoen 1987-1988 een nieuwe internationale pianistenserie heeft ingesteld in het Amsterdams Concertgebouw. Featuring Pogorelich, Egorov en Perahia, en andere klinkende namen als Pollini, Ashkenazy en Brendel; onder het motto Meesterpianisten. Zonder in te gaan op de verschillen in de muzikale en/of charismatische kwaliteiten van Van den Hoek en Pogorelich, het moet worden vastgesteld dat Van den Hoek zondag in één opzicht de wind niet mee had. Waar het eenmalige optreden van Pogorelich was omgeven met een zee van publiciteit — zie de affiches op de grote hoofdstedelijke verkeerskruispunten — maakte Van den Hoeks optreden deel uit van een pianoserie die zich dit seizoen in alle stilte voltrekt. Nederlandse pianisten in de Grote Zaal. Een serie (met De Waal, De Leeuw/Bon, Bruins en Meinders) waar zich 300 liefhebbers op hebben geabonneerd. Capaciteit van de Grote Zaal: 2100 luisteraars. Het gaat niet goed met de pianoseries in het Amsterdams Concertgebouw. Getuige die steeds groter wordende lege plekken in de Grote Zaal bij de Internationale Pianoserie (dit seizoen Zoltan Kocsis, Radu Lupu, Alicia de Larrocha, Jorge Bolet). Getuige het verdwijnen van de buitenlandse coryfeeën uit de Grote Pianisten-serie. Getuige de lege plekken bij de Pianoprommenten (met Barry Douglas, Sergio Tiempo, Güher/Süher Pekinel), en de magere opkomst totnutoe bij Piano 5 (vijf vrouwen in de Grote Zaal: Cécile Ousset, Imogen Cooper, Mitsuko Uchida, Bella Davidovich en Maria Joao Pires). En dat terwijl pianisten in serieverband jarenlang volle Grote Zalen trokken met vooral Beethoven, Schumann en Chopin, en Chopin, Schumann en Beethoven. Tot genoegen van hun impresario's. Meesters aan het Klavier (Arrau, Gilels) van het impresariaat Interartists vonden hun opvolgers in de coryfeeën van de Internationale Pianoserie van het bureau Concertdirectie De Koos en Co. Dit leverde op zijn beurt slag met het Nederlands Impresariaat (Grote Pianisten), terwijl sinds kort ook de concurrentie moet worden geduld van Concert Management Herzberger/Mebus (Piano 5) en Stardust BV (Pianoprominenten). Pianisten, pianorecitals, pianoseries: het waren, zoals het eens treffend werd omschreven, de olievelden van het klassieke muziekwereldje. Waren. De olie is te intensief aangeboord. De impresariaten hebben elkaar de ene vlieg na de andere afgevangen met hun waslijsten van pianisten, wier programma's soms pas op het laatste moment bekend zijn, en dan de fotokopie blijken van die van de concurrent die een week, een dag of een paar uur eerder zijn opwachting maakte. In een gebouw waarvan de Kleine Zaal niet zelden te klein is (voor het gewin) en de Grote Zaal vaak te groot (voor de pianist). Directeur Jan van Waveren van het Nederlands Impresariaat wijt de „afname van het charisma" van het internationale pianistendom in het Concertgebouw aan overaanbod. Marianne Her-

    „Impresario's hebben elkaar doodgeconcurreerd"

    zberger van Concértmanagement Herzberger/Mebus: „De mensen hebben het wel gezien. Er zun er teveel voorbijgetrokken. De pianorage was een trendy gebeuren, de belangstelling heeft zich verlegd." Sylvio Samama, eigenaar van Concertdirectie De Koos en Co: „Het aanbod is overdreven. Het was niet nodig nog meer pianisten te brengen dan ik al deed. Het Nederlands Impresariaat met al zijn subsidies maakt het publiek kapot." Samama wijst meer boosdoeners aan. Ook de pers, voorop de Volkskrant, heeft het publiek kapot gemaakt. Die had veel meer recensies moeten wijden aan pianisten — het aanbod van honderden klassieke concerten in Nederland per maand ten spijt („De pers schiet tekort in haar opvoedende taak"). Daarbij, zegt Samama, gedraagt de NV Het Concertgebouw zich „als een prostituee. Wie betaalt mag er gebruik van maken. Twee pianisten op een dag, het maakt ze niet uit. In Londen is dat ondenkbaar. Daar heerst regelmaat in het aanbod." Van Waveren van het Nederlands Impresariaat meent dat Samama en een paar collega's hem door gekonkel en machinaties het functioneren onmogelijk hebben gemaakt.

    Marco Riaskoff van Riaskoff Concert Management: „De impresariaten hebben elkaar met pianoseries doodgeconcurreerd." Het bericht dat Riaskoff als nieuwe concertorganisator ook op zijn beurt een Serie Meesterpianisten gaat instellen kon daarom alleen maar verbazing wekken. Maar die verbazing laat zich snel wegnemen. De serie van Riaskoff blijft waarschijnlijk als enige over. Het Nederlands Impresariaat legt het hoofd in de schoot en stopt met pianisten in de Grote Zaal („Het is niet meer vol te houden"). Sylvio Samama stopt om gezondheidsredenen met zijn series en beperkt zich voortaan tot de zaakwaarneming voor musici uit zijn stal. Herzberger en Mebus „verkeren in diepe twijfel" over doorgaan met vijf pianisten (m/v) of niet: „We hebben domweg te weinig tijd voor publiciteit; alleen de fanaten onder het publiek blijven over; er moet te veel geld bij." Maurizio Pollini, Alfred Brendel en Jorge Bolet worden komend seizoen uit de kaders van Samama's Internationale Pianoserie getransfereerd naar Riaskoffs Meesterpianisten. De ware liefhebber zal het waarschijnlijk een zorg zijn, maar ook Murray Perahia betrekt Riaskoff van de (inmiddels met Meesterseries opgehouden) concurrentie: Interartists. Youri Egorov komt van de lijst van het Nederlands Impresariaat, dat voorheen ook Ivo Pogorelich in Amsterdam lanceerde in het kader van zijn Grote Pianisten. De nog maar zelden voor solorecitals te strikken Vladimir Ashkenazy hoort in Nederland bij niemand en laat zich vanuit Londen contracteren; van Riaskoffs tien Meesterpianisten horen alleen Maria Tipo, de Fransman Jean-Bernard Pommier en diens jonge landgenoot Mare Laforet (die dit najaar in de Grote Zaal zijn debuut maakt) tot de stal van Riaskoff. De jonge ondernemer Riaskoff heeft zijn spectaculaire serie, met andere woorden, met kunst- en vliegwerk samengesteld. „Marco heeft een grote kwaliteit", meent de oude rot Van Waveren, „en dat is dat hij met iedereen on speaking terms weet te blijven. Hij kan bovendien met grote kunstenaars omgaan, hij heeft dat in zich." Sylvio Samama: „Hij doet het leuk. Hij heeft goeie oren. Ik beschouw hem als mijn zoon." Opmerkelijke uitspraken in het wereldje van de impresario's, waarvan de meesten elkaar maar al te goed kennen. De Meesterserie van Johanna Beek (later Interartists) werd in dé loop van de jaren zeventig bijna van de kaart geconcurreerd door de zwaargewichten van Sylvio Samama, en trok op den duur nauwelijks meer dan vijfhonderd bezoekers per concert in de Grote Zaal. De stichting Het Nederlands Impresariaat mengde zich in 1980 in de strijd achter de muzikale schermen met een even zware serie (Ashekanazy, Larrocha, Egorov, Davidovich, Zimerman, Arrau, Perahia), die afgezien van de losse kaartkopers liefst 1900 abonnementhouders aanzoog, en ook nog eens langs Rotterdam en Utrecht toerde. Ooggetuigen maakten melding van een woedende impresario die in de gangen van het Concertgebouw strooibiljetten van de concurrent uit de folderbakken plukte en in een vuilniszak deponeerde. Concertdirecties verbonden zich tot een Federatie en wierpen in februari '80 hun besognes in de openbaarheid via een brief aan de minister van CRM, waarin schande werd gesproken van de „oneerlijke concurrentie" die het gesubsidieerde Nederlands Impresariaat de vrije bureaus zou aandoen. Van Waveren: „Die Federatie is uitsluitend opgericht om mij een loer te draaien. Ik had een superbe serie, maar het moest per jaar minder schitterend worden. De Larrocha werd weggekocht door De Koos. Davidovich kon ik niet meer krijgen. Achter mijn rug hebben ze me bij general managers in het buitenland zwart gemaakt en gezegd dat ik niet te vertrouwen was." Samama: „Welnee. Ik zou dat graag gezegd hebben, maar ik heb nooit de tijd gehad om me met hem te bemoeien. Hij is geen interessante man; heeft geen oren aan zijn lijf."

    Opmerkelijk blijft in elk geval dat voor het opzetten van de pianistenseries van zowel De Koos als het Nederlands Impresariaat één man verantwoordelijk was: Marco Riaskoff. Hij werkte acht jaar bij Samama (voor wie hij Nederlandse debuten begeleidde van Pollini, Brendel en Lupu), stapte over naar Van Waveren (voor wie hij onder anderen Pogorelich strikte), werkte vervolgens in Parijs en begon vorig jaar voor zichzelf. Riaskoff („Ik ben beslist geen avonturier") zal in financieel opzicht de handen vol hebben aan zijn Amsterdamse cyclus, met een paar pianisten die per avond vijf of acht mille vragen, plus een aantal aanmerkelijk duurdere (Ashkenazy die in Duitsland 40 duizend mark vraagt doet het in Amsterdam in de regel niet voor minder dan 25 mille). Riaskoff zweert bij professionele publiciteit („Daaraan heeft het de laatste jaren ontbroken"), gesteund door sponsors. Martijn van den Hoek, Rian de Waal, Ronald Brautigam en andere Nederlandse pianisten hebben in de slag om de Grote Zaal voorlopig het nakijken. ROLAND DE BEER

    Impresario Marco Riaskoff: „Ik ben geen avonturier." Foto Bert verhoeff