«76 Het VIERDE BOEK
/»»teten, maar zond in allerijl brieven aan de ma' hricv-n ?hrdc- giftraat en het hof van Samaria. Binnen die welke hii zond |100fd(tad hadden 70 zoonen cn kleinzoonen
na.ir Samaria ' ,
tot de overfte Van Achad hun verblüf, daar vergaderde üc dTöudttey'en' raad der vorftelijkc ftunhoófdtn, daar had h"'eVAcuABs', mcn de fl:iats" cn krijgsdienaaren , en zij die zeggende: 0Ver de opvoeding der vorftelijkc kinderen gc-
v3. 1 Zo 1 P . ■ , . r
wanneer nu fteld waren. 2. Zij ontvingen allen eenen briet ueZzaibtekóö-t van dezen ftoutmnedigen' inhoud : daar met men zin, de- ^ e hrievcn de bevestigende tijd ii gen van
wnl uw Heers ' ..
zoonen bij u \sKonings dood tot u zullen gekoomen zijn, wagc'nen"1' en en gij binnen uwe muuren de vorftcdjke nako^ paarden bij uw meljn,veri de ftrijdtuigen en paarden hebt, cn zun, mitsga- o " 3 0 ■ -j ™
dors een vaste daar hij eene fterke vesting bewoond, 3. AOU lta I en waapc- , , .. ,
nen. het zeker best voör u Zijn, dat gij den naa-
nalr den "bes- f-'en en waardigftcn van uwen overledenenten en gcreg- Koning tot opvolger bciioemdct, cn dapper
tisftcn van de ° 1 ° ,
zo men uwes ftrced voor de zoonen van uwen gewezen dien'öp zins' Vorst. 4. Deze brief, die eer ecn uitdaaging vaders troon maakte de gemoederen der hovelingen
en ftrrd voor ' c .
Het imis uwes eu Vorften zo necrllagtig, dat zij tegen malvs; * Doch kandcren zeiden: wij zullen het niet ondcrgiisci/'^zeer11 neemen ; twee Koningen zijn tegen zijn' cn zeiden: zie, drift en onverfchiokkenheid niet beftand get:Wee Koningen , , . , ..
beltonden niet wecst, hoe veel te minder wij. 5. Zij zon-
têSti^ hoé den dan cenpaarig dit antwoord: dat zij zich zonden wij dan „an hem onderwierpen, dat zij zijne nadere beltian? ' r . . ,.
vs. 5. Die bevelen zouden afwagten , cn den leedigen
ha.Lvas°en die rijkszetel niet vervullen, maar hem in zijv.^-He oud- ne doorzigtige oogmerken geworden laaten. (lenendeVoed. 6. Waarop Jehu weder antwoord: dat zij den" t^TjEHu," dan tot een proef van hunne getrouwheid en
zeggende : wij , ' ...
■M 1 1 ve knegten, en al wat gij tot ons zeggen zult, zullen wij doen, wii zullen niemand Koning maaken , doe wat goed is m uwe oo-en! vs. 6. Toen fchrecl" hij ten tweede maale tot hun ccneu brief , zeggende: zo gij mijne zijt en naar mijne ftemmc hoort, neem de Hooi.icn