Handboek der ontleedkunde van den mensch, in verband beschouwd met de natuurkunde van den mensch en de heelkundige ontleedkunde
naar de linkerzijde gerigt is. De wanden dezer holte zijn de volgende: de voorste wand, gevormd door het manubrium en corpus stemi en door het kraakbeen van de 3e tot 1' rib der linkerzijde; de achterste w a n d, bepaald door het hartezakje, de boven hetzelve liggende grootevaten en door de luchtpijp; de zijdelingsche wanden worden door de beide voorste middelvliezen gevormd. In het cavum mediastini antici bevinden zich de volgende deelen: het boveneinde der regter en het ondereinde der linker vasa mammaria interna, de borstklier, de nervi phrenici, watervaten niet watervaatklieren (glandulae mediastini antici) en veel los en vetrijk celweefsel. De mediastitia postica strekken zich voor de hoofdjes der ribben en de zijvlakten van de ligchamen der rugwervels regt naar voren tot aan het hartezakje en den wortel der longen uit, om welke reden de
holte van het achterste middelvlies [cavum mediastini postici) loodregt voor de ligchamen der rugwervels en ach Ier het hartezakje, de luchtpijp en de groote vaten, tusschen de beide achterste middelvliezen ligt. Deze langwerpig vierkante holte is langer en ruimer dan de voorste, en bevat de volgende deelen: de aorta descendens thoracica , oesophagus, vena azygos en hemiazygos , ductus thoracicus, nervi vagi en splanchnici majores, artt. intercostales dextrae en venae intercostales sinistrae, watervaten en glandulae mediastini postici.
Vaten Tan het borstvlie». a) Slagaderen ontvangt het borstvlies Tan de omheenliggende grootere takken, zoo als van de artt. intercostales, mammariae inlernae, phrenicae, pericardiucae , bronchialcs} oesophageuc, thymicae. b) De aderen verzamelen zich in eenen stam, en dragen denzelfden naam als de slagaderen. c) Watervaten bevinden zich in groote hoeveelheid in het borstvlies, en storten zich voornamelijk in de plexus mummarii en intercostales uit. rf) Zenuwen heeft men in het weefsel der borstvliezen even zoo weinig als in ieder ander weivlies kunnen vervolgen.
d. Borstholte (caritas thoracis s. pectoris).
Deh ol te der borstkast, door wier uitzetting en vernaauwing de ademhaling het meest bevorderd wordt, heeft tot grondslag den achtersten wand der rugvvervels, van voren het borstbeen en de kraakbeenderen der ribben, en ter zijde de ribben; zij wordt door de mm. intercostales, welke de ruimten tusschen de ribben opvullen, ter zijde volkomen gesloten. Haar onderste opening wordt door een vleeschigen, bollen bodem, het middelrif, gesloten, dat voor en achter en naar beide zijden toe zeer af helt, zoodat het achterste en zijdelingsche gedeelte der borstholte veel dieper gaat dan het voorste; om deze reden ligt het achterste gedeelte van de onderste longkwab op gelijke hoogte met het bovenste gedeelte der maag, der lever en der milt. Het kortst is de borstholte boven heteewtrum tendineum diaphragmatis, hel hoogste punt van het mid-