Handboek der ontleedkunde van den mensch, in verband beschouwd met de natuurkunde van den mensch en de heelkundige ontleedkunde
op de wervelkolom, en eerst later begeven zij zich meer naar voren; derzelver kleur is aanvankelijk wit, wordt vervolgens geelachtig wit, en eindelijk helder of meer donkerrood; hun weefsel is in betrekkelijken zin digter dan later, en hun soortelijk gewigt , na plaats gehad hebbende ademhaling, ligter dan vroeger. De ontwikkeling der luchtpijptakken tot aan hunne laatste blaasvormige uiteinden heeft op dezelfde wijze plaats als in de klieren (zie bij de oorklier); het blastema (de stof, waarin zich de uitholingen en vertakkingen vormen) is echter digter en van eene meer bepaalde gedaante, dan het teedere en geleiachtige blastema van de speekselklieren.
c. Longzakken, borstvliezen [jpleurae s. sacci pleurae).
De borstvliezen zijn twee groote, volkomen geslotCne en van elkander afgescheidene, platgedrukte en stompe, kegelvormige, weiaardige zakken, die in iedere zijdelingsche helft der borst zoodanig geplaatst zijn, dat hun buitenste wand (pleura costalis) aan de inwendige vlakte van den thorax aangegroeid is, terwijl de binnenste wand (pleura pulmonalis) de geheele oppervlakte der longen bekleedt, en met dezelve in de holten van den borstvlieszak is ingekokerd, zoodat de longen in de borstholte vrij opgehangen (even als het hart in het hartezakje) en in hunne bewegingen niet gehinderd zijn. Beide wanden of platen gaan van voren achter het borstbeen en van achteren voor de wervelkolom onafgebroken in elkander over, en laten eene luchtledige, overal geslotene ruimte tusschen zich open, wier wanden door een weiaardigen damp glad en glibberig gehouden worden, en voor de ademhaling van het grootste gewigt is. Om de uitbreiding en ligging der borstvliezen naauwkeuriger te bepalen, geeft men aan dezelve de volgende aanhechtpunlen: de uitwendige plaat van iederen borstvlieszak of het pleura costalis (ribben wand) is met celweefsel aan den zijwand der borstholte of aan de inwendige vlakte der ribben en tusschenribspieren bevestigd, en loopt naar voren tot aan de achtervlakte des borstbeens, doch niet zoo ver, dat de borstvliezen van beide zijden hier met elkander in aanraking komen. Hetzelfde heeft evenmin aan de wervelkolom plaats, waar zich het ribbengedeelte tot aan de zijvlakte van de ligchamen der rugwervels uitstrekt. Van deze beide plaatsen (voor van het borstbeen achterwaarts en achter van de wervelkolom voorwaarts) begeeft zich het borstvlies naar de zijvlakte van het hartezakje, hecht zich daaraan vast, en gaat van hier af naar den wortel der longen, om de aan dezelve in- en uitgaande vaten te omwikkelen, en zich aldaar op de oppervlakte der longen zelve om te slaan, waar het als pleura pulmonalis (s. membrana pulmonis) het uitwendig overtrek van dezelve en in de incisurae mterlobulares de ligg. interlobidaria vormt. De deelen van het borstvlies, welke van den voorsten en achtersten wand der borstholte midden door de laalste naar het hartezakje en den wortel der longen heenloopen, en dus de verbindende deelen tusschen hetjo/e?/ra costalis en pulmonalis zijn, of het omgeslagen gedeelte van