ne van Eantoel op, om hem op te zoeken. De 10e kolonne bleef te Kanigoro in observatie, en de 3e trok van Mangiran den 15 op lvarassan, en den 16 op Passargede en Bantoel. Den 17 trokken de troepen op Sello een dorp, midden in het Selarongsch gebergte gelegen, alwaar de opstandelingen zich vereenigd hadden, en waar Dipo Negoro eerst den dag te voren was aanj gekomen. Des morgens om 8 uur naderde Sollewijn ongemerkt het, in een door heuvelen omgeven kom gelegen dorp. De ritmeester De Latre stelde zijne kavallerie bij het kreupelhout op, aan den oostkant der plaats, toen de troepen ontdekt werden, en er een vervaarlijk geschreeuw opging. Ter zelfder tijd had Sollewijn aan den zuidoostkant een bataillon infanterie opgesteld, om de ontvlugting te beletten. De opstandelingen , die men 300 in getal schatte, meerendeels te paard, drongen in geslotene orde naar het midden deirijst velden, doch stoven weldra uiteen door het vuur der genoemde, op eene hoogte staande Infanterie. Daarop viel de kavallerie onder De Latre er op in, en de Infanterie kwam van de hoogten naar beneden. Een 50tal lansdragers nam echter eene moedige houding aan, ter dekking van den aftogt van Dipo Negoro, en de kavallerie sabelde er een 20tal van neder, eer zij weken. De Pangeran Ario Praboe Mengolo, wilde met overhaasting naar Sellonangol vlugten, aan den voet des heuvels, toen zijn paard door een geweerschot onder hem gedood werd. Hierop snelde een wachtmeester der hussaren, genaamd Cassenhoven toe, en maakte den prins met sabelhouwen af zonder te weten wie hij was. Allerwege vlugtten de opstandelingen nu