Pieter Pieterszoon

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    Maar omslaan deed ze gelukkig niet. Tegen het strand dreef ze echter ook niet. Op een zandbank, zeker wel vijftig vaam van het strand, raakte ze vast. Echte strandjutters, wist Pieter, waadden altijd zoover mogelijk, soms tot aan den nek, in zee om alles wat op zoon zandbank vastraakte er overheen te sleeperi. Hijzelf had dit ook wel willen doen, maar hij wist dat voor hem het water te diep was en dat er tusschen de bank en het strand een felle stroom liep. Overdag zou hij het allicht nog gewaagd hebben, maar nu het donker was durfde hij niet, omdat de stroom hem mee zou sleuren en al kon hij nog zoo goed zwemmen, dit zou hem niet baten, want tusschen de golven raakte hij in het donker al gauw de richting kwijt.

    Besluiteloos stond hij daar, door den voorsteven van het wrak een beetje beschut tegen den snijdenden wind. Nu kon hij naar huis gaan en zijn vader halen, maar het was best mogelijk, dat andere strandjutters de boot vonden, eer hij terug zou zijn. En dan was hem de buit ontgaan. Hij kon ook wachten; misschien kwam de vloed nog wat hooger, hoog genoeg om de boot over de zandbank heen te doen drijven, maar veel kans was daarop niet, want voor zoover Pieter het berekenen kon, was het haast hoog water. En hij kon wachten tot de eb inviel en de zandbank geheel droog kwam te liggen, maar dat zou nog uren en uren duren; thuis ze zich ongerust over hem maken....

    Terwijl Pieter zoo met zichzelf te rade ging en niet wist, wat het beste was, meende hij plotseling in het bootje iets te zien, dat zich bewoog. Hij schrok er van; het hart klopte hem inde keel en inde eerste opwelling wilde hij op een draf tegen den wind in naar het dorp terughollen. Dadelijk bezon hij zich; hij keek nog eens goed toe en riep, zoo hard hij kon:

    „Hoy! A-hoyyyyy!”

    En weer bewoog zich iets; nu zag hij het heel duidelijk. Toen bedacht hij zich ook niet langer. Er waren menschen in die boot, schipbreukelingen, die mogelijk overeen halfuur of overeen kwartier al ten gevolge van honger, koude en

    die door koude en uitputting omgekomen konden zijn! —■ en daarna zijn vader, te waarschuwen. Toen de boot even dwars op een golf kwam, dacht hij: „Als ze nu maar niet omslaat!” want dan zou alles wat er mogelijk in was verloren gaan.