Ten Westen van het Takolekadjoe-gebergte vinden wij weer andere bergreeksen: het Tamboke- (Boeg. Tampoke-) gebergte met zijne voortzetting naar het Noorden, en het Ngkilalaki-gebergte, dat op de hoogte van Kasimbara op den hals van het Noordelijk schiereiland eindigt. Tusschen de bergreeksen in Midden-Celebes zijn inzinkingen, die nu eens vlakten vormen, later door menschen bewoond, dan weer nieren, zooals het Possoen het Lindoe-meer.
Tusschen deze bergketens in slingeren zich rivieren, die voor zoover zij naar het Noorden en Zuiden stroomeu, niet door eene bepaalde waterscheiding van elkaar gescheiden zijn, zoodat bij rivieren die in tegengestelde richting loopeu, het brongebied der eene dikwijls in dat der andere grijpt. Dit is een gevolg van de richting der ketens. Voor zoover zij naar Oost of West gaan, moeten de rivieren zich steeds een weg banen dwars door de ketens heen. Dit is het geval bij de Koro of Lariang, en de Karama, die in de straat van Makasser uitmonden, en bij de Laa, die haar water naar de golf van Mori brengt. Voorts is de voornaamste afwatering naar het Noorden de Posso-rivier en naar het Zuiden de Kalaena.
De volken, die Midde n-C elebes bewonen.
In korte trekken hebben wij hier een beeld geschetst van Midden-Celebes, zonder op bijzonderheden in te gaan. Het medegedeelde is voldoende om ons eene voorstelling te maken van de verspreiding der stammen over Midden-Celebes, wier woonplaatsen zijn bepaald geworden door rivieren en bergruggen. Slaan wij een vluchtigen blik op de volken van Midden-Celebes, dan vinden wij op het Noordoostelijk schiereiland de To Loiua of ïo Loiudaugi. Op en iets ten Noorden van het Zuidoostelijk schiereiland wonen de To Mori. Langs de golf van Bone de Loewoeërs en de Wadjoreezen, en ver in het Oosten aan de Straat van Makasser de Mandareezen. Tusschen al deze genoemde volken in vinden wij eene menigte volksstammetjes, die allen zeer nauw aan elkander verwant zijn en op één afkomst kunnen bogen, namelijk de Toradja’s. De naam Toradja, samengesteld uit to = „mensch” en radja een ouden vorm van ad j a = Boeg. „boven” (vgl. het Mal. raja en het woord da jak), beteekent „bovenlander”. De Loewoeërs geven dezen naam aan de ten W. van Paloppo wonende To Sadang en andere stammen, maar de naam is in de Europeesche wereld van zoodanige bekendheid geworden, dat wij niet geaarzeld hebben zijne beteekenis uit te breiden en hem toe te passen op alle bovengenoemde stammetjes, al ware het alleen slechts om den tot veel misverstand aanleiding gegeven hebbenden naam van Alfoer of Alifoer'te vermijden.
T o r a dj a-g roepen.
Alle genoemde stammen vormen taalkundig ééne groote eenheid, maar