INLEIDING.
1. Men verdeelt de wegen in gewone wegen en spoorwegen. Bij de laatste bewegen de voertuigen zich langs vaste, ijzeren sporen; bij de eerste is dit niet het geval. De tramwegen behooren dus tot de categorie spoorwegen. Beide, gewone wegen en tramwegen, hebben een aarden baan (welke tot den onderbouw behoort) waarop de bovenbouw van den weg rust; bij tramwegen is dit het ballastbed met de dwarsliggers en de rails, terwijl bij gewone wegen in de aarden baan een inkassing gespaard wordt, waarin het zandbed en de verharding van den weg (bovenbouw) komen te liggen.
De gewone wegen kunnen nog verdeeld worden in aarden wegen en kunstwegen; bij de eerste is geen verharding aanwezig.
2. De overeenkomst die er bij alle soorten van wegen (gewone wegen en spoorwegen) is, n.l. dat ze een aarden baan hebben, maakt dat in het volgende voor verschillende onderwerpen, de aarden baan betreffende, bij tramwegen verwezen kan worden naar gewone wegen, en omgekeerd, met name is dit het geval met de hoofdstukken over de voorbereiding van den aanleg, het waterpassen, opmeten en uitzetten en dat betreffende de uitvoering.
B. Er zijn sommige benamingen, welke men bij alle wegen aantreft, zooals richtingsvlak, richting, as, tracé, dwarsprofiel en lengteprofiel, die eenige toelichting behoeven.
Onder het richtingsvlak van een weg verstaat men het verticale vlak gaande door het midden van den weg. Onder richting of richtingslijn verstaat men de doorsnede van het richtingsvlak met een horizontaal vlak. De as van een weg is de doorsnede van den bovenkant van den weg met het richtingsvlak. Het tracé van een weg wordt bepaald door zijn richting. Onder een dwarsprofiel verstaat men de doorsnede van een verticaal vlak loodrecht op de as van den weg, met den weg; het lengteprofiel wordt verkregen door de snijding van de bovenkant van den weg met een verticaal vlak gaande door de as van den weg (richtingsvlak).