Muzikaal Nederland 1850-1910

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezondheidsredenen naar Nederland terug. Nadat hij een kunstreis met zijn broeder Arnold in ons land had gemaakt, begaf hij zich in 1853 opnieuw naar Londen en nam er zijn vorige positie weer in.

In IS7I trok hij zich voorgoed terug, om in zijn geboorteplaats Heerlen zich geheel aan de compositie te wijden, van welke in de eerste plaats zijn „Tarantella” genoemd wordt.

Hennen (Matthias), broeder van Arnold H. geb. 1820 te Heerlen en eveneens leerling van de Luiksche muziekschool. Hij verkreeg ook den ien prijs voor piano spel (1853). In 1860 werd hij leeraar aan de muziekschool te Antwerpen en componeerde eenige trio’s, kwartetten, kwintetten, orkestwerken en liederen.

Hepp (Jacobus Johannes),geb. 15 April 1797, f 18 Sept. 1861 te Leiden, gaf reeds in zijn jeugd blijken van ongewonen aanleg en ontving onderwijs van den kapelmeester der Leidsche Academie in piano- en orgelspel en in compositie.

In 1827 werd hij organist der Luthersche kerk te Leiden en onderwijzer aan de muziekschool van „Toonkunst”, toen deze werd opgericht.

In 1835 werd hij benoemd tot organist aan de Marekerk en in 1842 aan de Pieterskerk. Hij was als piano-onderwijzer zeer gezocht, en vervulde steeds de hoofdrol bij orgelexamens en orgelinwijdingen.

De werken, door hem gecomponeerd, zijn nimmer in druk verschenen.

Herwaarden (Johannes Godefridus van), geb. te Rotterdam 1879, oud-leerling van de orgelklasse der muziekschool van „Toonkunst” en ontving hij verder onderricht in piano (M. H. van ’t Kruys), in theorie, harmonie en contrapunt (A. B. H. Verhey) en in muziekgeschiedenis, vormleer en instrumentatie (F. Blumentritt).

Als solo-organist deed hij zich hooren in verschillende kerken te Rotterdam en van 1896—1908 jaarlijks in de Noorderkerk aldaar, alsmede te Zierikzee, Brielle en Boskoop. H. is organist in de Fransche kerk te Rot terdam, benevens muziek-directeur en onderwijzer in piano- en orgelspel en in de theoretische vakken.

Tot zijn werken behooren:

Een aantal marschen, een Ouverture, een Phantasie, een Polonaise en eenige arrangementen, alles voor harmonie-orkest.

Vier liederen voor mannenkoor a-capella.

„Edelweiss”, operette (uitgevoerd te Brielle en te Rotterdam).

Kleine werken voor orkesten koor (M. S.).

Andante, voor orgel (uitgevoerd te Rotterdam, Assen, Brielle, Enschede en Harderwijk).

Hespe (Willem), geb. te ’s Hage, 1875, genoot te Amsterdam van verschillende leeraren muziekonderwijs en deed veel aan zelfstudie.

Aanvankelijk opgeleid tot beeldhouwer, koos hij later het pad van zangleeraar.

Thans is hij koordirigent van: „Crescendo”, klein koor a-capella; „Zanglust”, gemengd koor; „Amstels zanglust”; „Wester’s mannenkoor; „Kunst en Vriendschap”, mannenkoor, en van „De vereenigde Zangers” (Alkmaar), mannenkoor. Tevens is hij zangonderwijzer bij de „Vereeniging tot verbetering van den Volkszang”.

Als componist is hij bekend door de koornummers:

„De storm en de eik".

„Een geestelijk lied”.

„Het Kerkklokje'’.

Heuckeroth (Heinrich), geb. 1836, f 6 Oct. 1907 te Groningen, zoon van een verdienstelijk musicus, wijdde zich met zijn acht broeders aan de toonkunst en werd reeds op 13-jarigen leeftijd verbonden aan het Frascatien het Parkorkest (J. E. Stmnpft') en wel als violist en contrabassist in het strijkorkest.

Hoewel de contrabas zijn geliefkoosd instrument was, wijdde hij zich in dit orkest meer bepaald aan de trombone, om daarmee een bijna ongeëvenaarde hoogte te bereiken. Gedurende 15 jaar had hij veelmalen gelegenheid zich als solo-trombonist te doen hooren, zoodat zijn naam in de kunstwereld niet alleen binnenlands, maar ook buitenlands met eere werd genoemd.

Hij verwisselde Amsterdam voor Groningen 1 Sept. 1870) en verbond zich aan het Harmonie-orkest (J. H. Bekker) als solotrombonist en werd later leeraar aan de Sted. muziekschool. In 1873 werd hij tevens benoemd tot kapelmeester der d.d. Schutterij met den titel van Luitenant-kapelmeester.

Sedert JB9l zag hij zich genoodzaakt wegens een langdurige en gevaarlijke ziekte afscheid te nemen van een instrument, dat zijn tweede ik was geworden, maar hij vergat daarom de contrabas niet. Nog tot 1902, toen hij gepensionneerd werd, bleef hij in het orkest, aan de muziekschool en bij de Schutterij werkzaam.

Den 1 Sept. 1895 kon de talentvolle man den dag gedenken, dat hij vóór 25 jaar zijn betrekking te Groningen aanvaardde.