Het gezin aan de veenplas

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

ZATERDAGAVOND.

Het was de hele Zaterdag erg warm geweest.

Al heel vroeg was de zon bij de hand, en vanuit een hemel zonder één enkel wolkje had zij uren en uren lang geschenen over het wijde, boomloze Friese land. De lucht stond te sidderen boven het glinsterende gras, en de bomen en dorpjes, die ergens heel ver weg aan de horizont stonden, leken wel knipsels van paars papier. De koeien hadden het met die hitte bijna te kwaad gekregen; ze hadden maar aan de kant van de sloot gestaan, de poten in het water, te lui om te grazen en te loeien. En van de vogels had je de hele dag niets gemerkt: die zaten ergens in de schaduw van een boomkruin te suffen.

Maar de mensen... ja, die hadden moeten werken, en de kinderen waren des morgens evenals andere dagen naar de school gegaan. Hun klompen klotsten slof-slof over de weg, of schuurden langs de paadjes, die tussen boterbloemen en rode zuring en witte spokebloemen door het gras