„Houden jullie je toch stil,” zei oom Korteknaap tegen Hoplahop en Hondjie, want al dat geblaf en gehinnik begon hem araaf te vervelen. Het was zo’n lawaai, dat oom Korteknaap eijn eigen woorden haast niet kon verstaan. Maar het gesprek tussen Hoplahop en Hondjie was juist afgelopen, en nu zette Dom Korteknaap allebei zijn handen als een toeter voor zijn mond en riep: „Allemaal uitstappen!”
Pikkie klom van de bok en vader Duimelot, die nog altijd op de achterste bank zat, tilde Dikkie op en gaf hem aan oom Korteknaap, die het kleine ventje netjes aanpakte en met zijn twee voetjes op de grond zette.
„Maar ik moet nog op Hoplahop uit rijden gaan! Dat heeft oom Korteknaap mij beloofd!” riep Dikkie, en meteen pakte oom Korteknaap hem weer beet en kleine Dikkie maakte een luchtreis — net een vliegmachine — en voor hij het wist, zat hij boven op de paarderug.
„Hou me vast! Hou me vast!” schreeuwde Dikkie.
Wat helemaal niet nodig was, want oom Korteknaap had volstrekt geen plan om hem los te laten.
Toen Dikkie merkte, dat er geen reden tot schreeuwen was, klopte hij Hoplahop op de hals, juist zoals hij het oom Korteknaap had zien doen, en hij zei, dat Hoplahop een braaf paardje was, dat erg zoet moest zijn en niet te veel met zijn pootjes moest trappelen, en toen was Dikkie’s eerste rijles geëindigd en hij werd weer op de grond getild.
„Vond je het een beetje griezelig daar in de hoogte, Dikkie?”
vroeg Pikkie.
„Helemaal niet griezelig,” zei Dikkie; „je dacht toch niet, dat ik bang was? Maar weet je, die Hoplahop had het wel eens opeens in zijn bol kunnen krijgen om op hol te gaan; dan was hij misschien wel heel ver met mij weggelopen; dan was ik mis-