De beveiliging van de zee tegen Europeesche en Barbarijsche zeeroovers, 1609-1621

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    XX. DE DIENST IN DE MIDDELLANDSCHE ZEE:

    OPDRACHT.

    De bedrijvigheid in de zeehavens, bij het herstellen, tuigen, victualieeren, bewapenen der schepen en de monstering van het volk, is in de voorgaande bladzijden niet ter sprake gekomen. Indien wij ons daarvan een beeld trachtten te vormen zouden wij diep in de plaatselijke geschiedenis worden gevoerd, en duizend en één trekjes uit het leven in de zeventiende-eeuwsche havensteden moeten teekenen. Hoe aanlokkelijk dit ook is wanneer men zich dieper voor dien tyd is gaan interesseeren, zoo kan een dergelijk onderzoek thans niet binnen ons bestek liggen, afgezien nog van de vraag, of het deplorabele overschot van onze verbrande marinearchieven wel een stevige basis zou bieden.

    Het moge voldoende zijn nogmaals te wijzen op de stroefheid, waarmee alle officieele instanties werkten, zoodat het niet gelukte de toch waarlijk niet buitengewoon groote eskaders snel in zee te brengen.

    Natuurlijk was men zeer afhankelijk van de elementen; storm kon de beste plannen in de war sturen en een relaas van tegenwind, die aanhield terwijl op het uitzeilen van een vloot groote verwachtingen waren gebouwd, kan zelfs een dramatisch effect bereiken i).

    Force majeure was echter niet alleen in het spel; wy hebben in de vorige hoofdstukken de voortdurende worsteling gevolgd om te komen tot een regelmatige bewaking van sommige scheepvaartroutes met vloten, die in het voor- en najaar zouden uitzeilen. Die regelmaat bereikte men nooit; zelfs moet gezegd worden dat het louter toeval was, wanneer de vloten in zee staken, zoodat het driemaal — met Quast in 1618, Moy Lambert in 1619 en Haultain in 1620 — gebeurde, dat zij op het eind van het jaar, in het slechtste seizoen wanneer men de schepen liever niet in de zeegaten waagde, moesten uitvaren.

    Men leze de episode in: Geyl, Suriano, blz. 35 volgg.