De beveiliging van de zee tegen Europeesche en Barbarijsche zeeroovers, 1609-1621

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xm. OORLOG TEGEN DE ALGERIJNEN (1618)

en door een aanval op de piratenhavens. De instructie van Lambrecht Hendricxsz sprak dan ook niet slechts van „continuele tochten”, maar eveneens van „practijcken van de selve (roovers) in de havens in brant te steecken ofte schieten”. Alle details van den scheepstocht moest men verder aan het gezond oordeel en den actieven geest van den commandeur overlaten. Inderdaad heeft hij zijn vloot beter geleid dan Quast, die zich immers steeds daar bevonden had, waar de piraten niet waren heengegaan *). Moy Lambert had echter een eenvoudiger opdracht dan zijn collega, die nog met een vredesboodschap voor Algiers had moeten verschijnen, en bovenal: hij heeft meer geluk gehad.

Gedurende de vroege zomermaanden van het jaar 1618 bleef men in de Republiek in het ongewisse over de daden van deze eerste oorlogsexpeditie naar de Middellandsche Zee. Aanvankelijk deden geruchten de ronde over een groot gevecht in het Zuiden, waarby een schip van het Noorderkwartier te gronde zou zijn gegaan, doch toen in Augustus de eerste brieven uit de vloot ons land bereikten, verkeerden de onzekere tijdingen in het stellige bericht eener overwinning 1 2).

Die brieven uit zee geven ons het relaas van den grootsten scheepsstrijd, die in deze periode is geleverd. Het verloop der expeditie in zyn geheel kan daaruit niet worden gekend en is uit geen andere gegevens op te maken. Wat wij intusschen over de gevechten zelf vernemen, is typeerend voor het zeewezen van dien tyd en rechtvaardigt een gedetailleerde beschrijving.

Op het eind van de maand Juni 1618 bevond Lambrecht Hendricxsz zich met negen oorlogsschepen naby Gibraltar, toen hij vernam, dat de Algerijnen daar weldra met een groote vloot zouden moeten passeeren: evenals in het vorige jaar, waren zij naar de Canarische Eilanden geloopen om christenen te rooven voor den slavenhandel. De Nederlandsche commandeur besloot, deze kans waar te nemen, en koos — tezamen met den admiraal van een Spaansche vloot, die

1) Zie hierboven, blz. 116 vlgg.

2) Bronnen voor de geschiedenis van deze expeditie zijn een aantal brieven uit zee, in copie aanwezig in: Lias Adt. 1618; zie ook: Baudartius, 10de boek, blz. 124—5 en het pamflet Thysius, deel IV, nr 141.