De beveiliging van de zee tegen Europeesche en Barbarijsche zeeroovers, 1609-1621

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Er is helaas een probleem met het ophalen van de afbeelding.

Dit kan twee oorzaken hebben:

  • De publicatie is nog niet beschikbaar in Delpher, maar zal dat binnenkort wel zijn.

  • Er is een tijdelijke storing met het laden van de afbeelding.

  • Probeer het later opnieuw.

    Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

    XIII. OORLOG TEGEN DE ALGERIJNEN (1618).

    In Patria raakte men van de wederwaardigheden dier eerste Middellandsche Zee vloot niet voor de maand Mei 1618 geheel op de hoogte. Maar hoe de roovers in den zomer van 1617 de zee „geinfesteert” hadden, was in het najaar reeds bekend geworden. By alle berichten uit zee kwamen nog de brieven van Wijnant de Keyser, die den Staten herhaaldelijk verweet, dat zij nalatig waren geweest in het bevestigen van de in het Oosten gesloten tractaten, en dat zij hun vloten niet behoorlijk hadden gebruikt om den „Turken” ontzag in te boezemen i). In December nog, vóórdat de laatste poging om den vrede te bewaren door commandeur Quast was gedaan, twee maanden zelfs vóór hy werkelijk te Algiers verscheen, viel in Den Haag het besluit tot een onbeperkten strijd tegen de Algerynen.

    In de Hollandsche Statenvergadering van den 20sten December 1617 werd de noodzaak van een gewelddadige onderdrukking der Algerynsche piraterie het eerst betoogd. Een getal werd genoemd van elf schepen, die uiterlijk by den terugkeer van Quast zouden moeten uitloopen, opdat de zee voortdurend beveiligd zou zijn. Evenals in 1611, toen men na een periode van kleine maatregelen plotseling tot een groote expeditie had besloten, wilde men ook nu alle middelen tegelijk bij de hand nemen, waarmede de overheid het kwaad zou kunnen stuiten; zij moesten — gelijk in 1611 — bestaan uit een „rigoureus” plakkaat tegen diegenen, die met de piraten op eenigerlei wijze in verbinding stonden en uit een oproep van Hunne Hoogmogenden aan de voornaamste „Koningen, Princen ende Potentaten” tot de beraming van een algemeenen vernietigingskruistocht1 2).

    Dit program werd door de Generaliteit geaccepteerd. Allereerst gingen brieven uit naar onze vertegenwoordigers in de landen onder den Grooten Turk: aan Wynant de Keyser met

    1) R. G. P. 10, blz. 750.

    *) Res. HoU. 20 Dec. 1617, blz. 258.