49. HET PICTURAAL NATURALISME
Poggenbeek; Suze Bissehop-Robertson; van Looy; van der Maarel; Tholen; Verster; dé Zwart; Isaac Israëlé én het Impressionisme; Bauer.
WAT ouder dan Brêitner is de Amsterdammer Geo Poggenbeek, een fijn kunstenaar, die op zich laat inwerken, wat hij uit nieuwe ideeën gebruiken kan. Voor het uiterlijk is hij nog gebonden aan de Haagsche school. Soms, met zijn eenden, volgt hij Willem Maris zeer van nabij, in de verfijnde, koele, zilvergrijze kleur van deze spitsgeschilderde tafereeltjes. Later heeft het lichtere palet van het Fransche Impressionisme zijn invloed op hem laten gelden. Zijn kleur is blank; zelden werkt hij met de diepe okers en den zwaren schaduwtoon, dien de Hagenaars voor hun contrasten bezigden; het gaat meer om kleur dan om toontegenstelling en die kleur is zoo blond en sappig en klankrijk, als weinigen voor hém gegeven hebben. Hij is daarbij een voortreffelijk aquarellist; dat zijn vormen wat vaster, wat nadrukkelijker omschreven zijn dan de latere werken van een Willem Maris of Mauve, typeert dan het jongere geslacht. En hij heeft ook andere onderwerpen: hij schilderde oude Fransche stadjes in Normandië en Bretaghe,- waarbij niet slechts het onderwerp bij de Fransche kunst van zijn tijd aansluit, maar men ook herinnerd wordt aan Jongkind, Boudin,- Monet, Pissarro, Sisley.
De twee jaar jongere J. H. Wijsmuller, leerling van de Amsterdamsche Academie, maar sterk door de Hagenaars beïnvloed, behoort op eigenwijze tot'dezelfde richting; zijn meestal in bescheiden formaat uitgevoerde werken kunnen door een kleurigheid frappeeren, waardoor zij zich van die der Haagsche School onderscheiden.
Maar heel iets anders geeft het werk van zijn jaargenooten Suze Robertson en van Looy. Suze Robertson toont zekere verwantschap met Breitner. Met dezen en van Gogh in zijn Haagsche jaren, vormt zij een trio van gelijkgerichte kunstenaars, al heeft zij geen contact met Vincent; ook in haar werk heerscht een welhaast daemonische bewogenheid; geweldig is de drang tot zich uiten, onder felle spanning ontstaan haar buitengewoon forsche, klankrijke en zware werken. Ook zij een Naturaliste, - haar motieven zijn aan het leven zelf ontleend. Zij constateert, door de bewogen, maar onopgesmukte uitbeelding. Oude schamele vrouwtjes in hun doffe bestaan, een jong meisje bij een antiquiteitenstalletje, waarbij de kunstenares zoowel de zielige onderkomenheid van dit kind, als de schoonheid en rijke kleurflonkering in het stillevenachtig opgevatte stalletje prachtig uitdrukt. Zij schildert oude huizen in een diepen en machtigen