Und wenn ich sechs Paar davon nehme, wie stellt sich '] dann der Preis? Da geben Sie doch Rabatt?
Das kommt mir etwas hoch vor.
Das ist aber wirklich teuer. So viel kann ich nicht anlegen.
Wo kann ich zahlen?
Ich muB Sie bitten mir diesen Hundertmarkschein zu wechseln, ich habe es gerade nicht kleiner.
§ 2. HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD.
(Das Substantiv oder Hauptwort)
Het geslacht. Het is- van het allergrootste belang het geslacht van een zelfstandig naamwoord te kennen, niet alleen omdat men dat weten moet voor de verbuiging, maar ook omdat daarvan de meervoudsvorming afhangt. Kennen wij het geslacht van een woord niet, dan kunnen wij ook het meervoud niet vormen. Het spreekt vanzelf, dat het woordenboek hierbij dikwijls zijn diensten zal moeten bewijzen, maar toch zijn wel enige regels te geven, die ons een heel eind op de goede weg helpen.
Ten eerste kan in het algemeen gezegd worden, dat bij levende wezens het geslacht van het woord met het natuurlijk geslacht overeenkomt, dus:
der Mann, die Frau, der Stier, die Kuh, der Bar, die Barin (de man, de vrouw, de stier, de koe, de beer, de berin).
Hierbij valt echter op te merken, dat alle verkleinwoorden onzijdig zijn, b.v.: das Mannchen (het mannetje), das Fraulein (het meisje), das Schwesterlein (het zusje), das Prinzchen (het prinsje).
Onzijdig zijn verder meestal de namen van jongen van dieren, bijv.: das Ferkel (de big), das Lamm (het lam), das Kalb (het kalf).
Men lette er verder op, dat steeds manlijk zijn:
der Kunde. de klant.