kelijk eenvoudig; die van den adolescent zijn meer wisselend en sterker. Hij is zich bewust van dat rijker worden, van dat grooter worden. De adolescent denkt na en zijn eigen ik is dikwijls het voorwerp van zijn nadenken (aanleggen van dagboeken). Hij weet, dat hij nu groeit tot man en „man zijn”, als man doen, is de machtigste drijfveer van zijn handelen tot goed en kwaad. Dat zelfbewustzijn wordt gevoed door grootere lichaamskracht en verstandsontwikkeling. Willen wedijveren met anderen, oorzaak willen zijn, anderen willen helpen, zijn strevingen die alle daaruit voortspruiten. Zelfstandigheidsgevoel is een andere karakteristiek die voortkomt uit het groeiende zelfbewustzijn. Het kind voelt zich afhankelijk van de ouders, zijn centrum van belangstelling ligt thuis. De adolescent wil onafhankelijk handelen, wil wegtrekken van huis, wil vrij zijn (wandertrieb). Als hij lid is van een jeugdvereeniging zullen onwetende ouders die jeugdvereeniging beschuldigen hem op te eischen wanneer integendeel het een natuurlijke drang is die moet worden aanvaard en geleid. In zijn spelen zoekt hij de vrije natuur op met makkers. Hij droomt en speelt het onafhankelijk leven van wilden en woudloopers. Waar adolescenten meer afhankelijk blijven van hun ouders, wordt toch het onafhankelijkheidsgevoel niet gedood, maar roept het conflicten te voorschijn, wat dikwijls weer een oorzaak wordt van melancolie en algemeen gebrek aan evenwicht (Krisis des Losstrebens). Zijn geest van tegenspreken is eigenlijk geen aanval tegen de volwassenen doch een verdediging van zijn nog niet volgroeide en toch zoo sterk aangevoelde persoonlijkheid. Is hij niet meer op school, maar staat hij reeds in het leven en kan hij vrij den teugel laten aan zijn onafhankelijkheidsdrang dan beleeft hij een crisis van vrijgelaten zijn (Krisis des Losgelöstseins).
Zelfbewustzijn kan ijdelheid worden maar, gewoonlijk,