Een eeuw veeartsenijkundig onderwijs

  • Kopieer en plak deze bronvermelding in je document

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 's Rijkst Veeartsenijschool.

59

Art. 11 Deze kosten zullen gevonden worden uit het fonds van den landbouw, zoodanig dat in mindering zal strekken hetgene gefourneerd zal wordendoor de volontaire kweekelingen.

Art. 12. De kosten van fourage enz. der beesten, welke bij dit instituut ter genezing zullen inge* nomen worden, moeten gevonden worden uit de bijdrage, welke betaald worden door degenen, welke ' zyn ziek vee aldaar brengt.

Of dit rapport de aandacht van den in 1815 Koning geworden Willem I op de nood* zakelijkheid van veeartsenijkundig onderwijs vestigde, dan wel of van andere zijde ook daarop gewezen werd, is niet precies gebleken, wel echter was Zijne Majesteit spoedig zoo overtuigd van de wenschelijkheid van eene inrichting tot het opleiden van veeartsen, dat hij den Minister van Binnenlandsche Zaken opdroeg daaromtrent een rapport uit te brengen.

Rapport van den Minister van Binnenlandsche Zaken betreffende de oprichting van een veeartsenijschool.

Dit rapport werd ingediend 4 Juli 1818 en behandelt tal van belangrijke vragen, waarvan nog enkele actueel zijn, waarom ik niet kan nalaten dit stuk, dat zeker een voornamen stoot gegeven heeft tot de oprichting der veeartsenijschool, in zijn geheel hier op te nemen. Dit stuk is aanwezig in het kabinet der Koningin.

,,'s Gravenhage 4 July 1818.

„Voor en aleer in het algemeen over het daarstellen van eene Veeartsenijkundige School binnen dit Ryk aan Uwe Majesteit ten gevolge van Hoogstderzeiver bevelen te rapporteeren, vermeen ik Uwer Majesteits attentie te mogen vestigen en Hoogstderzelver Decisie vragen omtrent sommige met betrekking tot de onder* havige zaak zich opdoende vraagstukken als van welke decisie de te nemen maatregelen in dezen en het vereischte onderzoek naar een behoorlyk locaal ten eenenmale afhankelijk zyn, bestaand de voorsch. vraagstukken in de navolgende:

le. Is het verkieslyk, dat er eene Veeartseny* kundige school binnen dit Ryk worde op* gerigt, of zou het genoegzaam zyn, wanneer de Jonge Lieden, die zich tot Veeartsen zouden willen vormen, naar eene naburige, doch in een vreemd Land gelegen school gezonden werden?

2e. Dient eene, in dit Land op te richten school van bovengemelden aard in de Zuide*

lyke, of in de Noordelyke provincie geplaatst te worden of zou het verkieslyk zyn een dergelyke school in iedere der twee groote afdeelingen van het Ryk te vestigen?

3e. Is in alle gevallen eene stad te verkiezen boven eene plaats op het platte Land, en, zoo ja, welke stad zoude in dat geval de voor* keur verdienen?

4e. Is by het verkiezen eener stad boven eene andere de omstandigheid dat aldaar eene Universiteit gevestigd is, van dien aard, dat dezelve dient in aanmerking te komen?

Omtrent deze vier vraagstukken myne ge* dachten aan Uwe Majesteit zullende mede* deelen heb ik de eer te observeeren.

A. Wat de sub 1 gedane vraag betreft; dat het naar mijn inzien verkieslijk is dat er binnen dit Rijk eene vee*artsenijkundige School worde opgericht, het aantal der veeartsen, die in dit Land, zoo rijk in alle soorten van vee be* noodigd zijn, zeer aanzienlijk is, dat wanneer alle personen, die tot het beoefenen dier kunst genegen mochten zijn, naar een vreemd land moesten gezonden worden, zulks vele onge* legenheden en aanzienlijke kosten wegens bui* tenlandsche verteringen zouden veroorzaken.

B. Ten aanzien van de sub 1 gedane vraag, dat naar het mij toeschijnt zoodanige school in de Noordelijke provinciën zoude behooren gevestigd te worden, nemende ik de vrijheid ter kennis van Uwe Majesteit te brengen, dat het mij uit de te dezen bij mij inge* komen Rapporten van Heeren Gedeputeerde Staten van Oost«Vlaanderen, Luxemburg, Namen, Henegouwen en Zuid*Braband ge* bleken is, dat in de Zuidelijke Provinciën reeds een groot aantal veeartsen gevonden wordt, die op de school te Alfort gebrevetteerd zijn, en er alzoo ook uit dien hoofde voor als nu minder noodzakelijkheid schijnt te wezen tot het oprichten eener Veeartsenijschool in de Zuidelijk Provinciën, dan wel in de Noorde* lijken, alwaar over het geheel niet meer dan Zes a Zeven veeartsen gevonden worden, die regelmatig in hunne kunst gestudeerd hebben.

C. Met betrekking tot de vragen sub 3 en 4 vermeld,

Dat het naar mijn inzien niet verkieslijk is, om de meergemelde school op het platte land te vestigen maar om dezelve in eene stad en wel in eene Universiteitsplaats op te richten. Men zoude wellicht daartegen vermeenen te kunnen aanvoeren, dat het te vreezen zoude zijn,

a. dat de élèves tot de Veeartsenijkunde deze Kunst verlaten en zich op de mensche* lijke geneeskunde zouden toeleggen.